De gemeente en haar diaconaat

Een artikel over het diaconaat van de gemeente

Het diakonaat van de liefde
In 1960 verscheen van de hand van de bekende zendingsman dr. H. Kraemer een boek onder de titel Het vergeten ambt in de kerk 1). Daarin werd aandacht gegeven aan de plaats en de roeping van het gemeente-lid. Kraemer constateerde dat er nog steeds theologisch weinig belang¬stelling bestond voor het ambt van de gelovigen. In de inleiding op zijn studie schreef hij: "De leken oftewel allen die als gemeenteleden het li¬chaam der kerk vormen, hebben nog nooit in de loop der kerkgeschie¬denis de eer genoten zorgvuldigen grondig behandeld te worden zoals past voor een zaak die theologisch van bijzonder gewicht of betekenis is" 2).
Sinds Kraemer zijn boek deed verschijnen, is er veel veranderd. Zowel binnen de Rooms-Katholieke Kerk als in de kring van de Wereldraad van Kerken is er steeds meer nagedacht over het aktiveren van de gelo¬vigen 3). Ook in gereformeerde kring in ons land zijn er verschillende pu¬blikaties verschenen, waarin wat Kraemer noemde 'het vergeten ambt', aandacht kreeg 4).

Dat is op zich een verheugende ontwikkeling. De kerk mag nooit een 'ambtsdragers-kerk' zijn. Zij is de vergadering van de gelovigen, die sa¬men het lichaam van Christus vormen, een lichaam, waarvan de apostel Paulus zegt dat de leden daarvan voor elkaar zorgen (vgl. 1 Kor. 12:25). Bij het woord 'diakonaat' zijn wij geneigd dadelijk te denken aan de dia¬kenen, de ambtsdragers die een bijzondere taak hebben in de dienst van de barmhartigheid 5). Wanneer wij echter de Schrift laten spreken, dan blijkt dat heel de gemeente tot diakonaat geroepen is. Niet ten onrechte spreekt men over 'de diakonale gemeente'. Paulus roept in Galaten 5:13 de gemeënte toe: "Dient elkander door de liefde". De apostel Petrus schrijft: "Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ontvan¬gen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods" (1 Petr. 4:10).
Dit dienen van de gemeente geschiedt op grond van en in navolging van het dienen van de Here Christus 6). Met K. Runia kan men zeggen dat de wortels van het nieuwtestamentische begrip diakonia liggen in het hart van de christologie 7). De Here Jezus kwam niet om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen (vgl. Matt. 20:28). Hij was de Knecht over Wie in de profetie van Jesaja 53 ge¬sproken wordt 5). Aan deze 'diakonie' van haar Heer dankt de gemeente haar leven. In de gemeente van deze Heer geldt dan ook de wet: "Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn, en wie onder u de eer¬ste wil zijn, zal uw slaaf zijn".

Hoe zeer het diakonaat van de gemeente opkomt uit de dienst van haar Heer, verkondigt ons de geschiedenis van de voetwassing in Johannes 13 9). Christus' liefde voor de zijnen bereikt haar 'einde', haar uiterste, daarin dat Hij Zich overgeeft aan de kruisdood (Joh. 13:1). In de voet¬wassing onthult Hij zijn apostelen het geheim van zijn dienst: zé geeft Hij het heil, de reiniging. Tegelijk geeft de Here de zijnen ook een 'voor¬beeld' tot navolging. Omdat Hij hen zo' heeft liefgehad, moeten zij ook elkaar liefhebben, moeten zij Hem volgen op de weg van het dienstbe¬toon jegens elkander.

In de gemeente van deze Heer is ieder geroepen om diaken te zijn, die¬naar van de ander. "De bron van dit diakonaat van de gemeente ligt niet in eigen zedelijk besef, houding van medemenselijkheid of sympathie voor anderen. Christologie en ecclesiologie zijn ook hier op elkaar be¬trokken, in die zin dat de woorden over Hem, Die in ons midden is als éën die dient, 'Grundordnung' voor een waarlijk diakonale gemeente zijn (Matth. 20:28 par.; Luk. 22:27; Joh. 13: 1-15)" 10)
Opvallend is dat het Nieuwe Testament voor de onderlinge liefde in de gemeente hetzelfde woord gebruikt als voor de liefde van Christus tot de zijnen.
Dit maakt duidelijk om wat voor liefde het gaat, een liefde die niet zich-zelf zoekt, maar die het belang van de ander tot het uiterste voorop zet, een liefde die weet van zelfverloochening en van het dragen van de last van de ander.
Vlak voor zijn sterven sprak de Heiland tot zijn apostelen: "Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad hèb, dat gij ook elkander liefhebt" (Joh. 13:14). Wij vinden het gebod tot liefde jegens elkaar reeds in het Oude Testament (vgl. Lev. 19:18). Nieuw is wat Jezus zegt, omdat het gezegd wordt tegen de achtergrond van zijn verlossingswerk. Het gebod krijgt een nieuwe diepte in het licht van wat Hij gedaan heeft en tegelijk ontvangen zij, die het horen, nieuwe moge¬lijkheden om het te volbrengen vanuit de liefde die Christus betoond heeft. Het woordje 'gelijk' heeft een dubbele funktie: enerzijds geeft het de maatstaf aan, de nieuwe norm, anderzijds duidt het de bron aan waar¬uit de apostelen liefde kunnen gaan bewijzen". De liefdedienst in de ge¬meente is mogelijk, omdat Christus zijn werk gedaan heeft. Maar tege¬lijk geeft dit werk van Christus ook de hoge norm aan, waaraan de zijnen in hun dienstbetoon jegens elkander moeten beantwoorden. Zij moeten elkaar dienen en liefhebben op de manier van Christus. Met minder kan het niet. De gezindheid, die ook in Christus Jezus was, moet hen beheer¬sen (vgl. Filip. 2:5).

In het Nieuwe Testament klinkt dan ook telkens de oproep tot broeder-liefde (vgl. 1 Tess. 4:4;2 Tess. 1:3). Vooral horen wij deze oproep in de eerste brief van de apostel Johannes. In deze brief wordt de broeder-liefde zelfs het kenmerk van de christen: "Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben" (1 Joh. 3:14); "Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde" (1 Joh. 4:7,8). Als wij de broeders metterdaad liefhebben, mogen wij weten dat wij kinderen van de God zijn, Die liefde is.
Ook voor hen 'die buiten zijn' is de onderlinge liefde kenmerk van het waarlijk discipel van Jezus zijn. De Heiland sprak immers: "Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander" (Joh. 13:35). Met deze 'allen' bedoelt de Here de onge¬lovige wereld, die de gemeente omringt. Alleen door onze liefde voor elkaar, zullen wij ook wèrkelijk als discipelen van Jezus uitkomen.

Hoezeer de liefde-in-dienstbetoon alle verhoudingen in de gemeente moet beheersen, laat de apostel Paulus ons zien in 1 Korintiërs 12, 13 en 14. Christus geeft door zijn Geest vele genadegaven aan de zijnen. Maar die gaven worden niet gegeven, om ermee te pronken of eigen status te verhogen. Paulus treedt fel op tegen de 'opgeblazenheid' van de Korin¬tiërs (vgl. 1 Kor. 8:1;13:4). De gaven worden geschonken 'tot welzijn van allen' (1 Kor. 12:7). De Korintiërs moeten verstaan dat zij als leden van het ene lichaam met deze gaven voor elkaar hebben te zorgen (1 Kor. 12:25). Het doel van de gaven is de 'opbouw' van de gemeente (1 Kor. 14:4,5).
In dit kader schrijft Paulus dan 1 Korintiërs 13, dat men wel het hooglied van de liefde genoemd heeft. Tegenover de opgeblazenheid van het in¬dividualisme toont de apostel de voortreffelijkheid van de weg van de liefde in de gemeente. De liefde is inderdaad de verkeersweg in de kerk. Door de liefde kan men funktioneren als leden van hetzelfde lichaam, waarbij het ene lid het andere werkelijk dient 12).

Deze liefde nu, dit diakonaat van de liefde, hebben mensen niet uit zich¬zelf. Zij kunnen er zich ook niet toe opwerken. Al wat waarachtig goed in ons leven is, komt van boven, van de Vader der lichten (Jak. 1:17). Deze liefde is een vrucht van de Heilige Geest (Gal. 5:22). De Heilige Geest is de Geest van 'het zoonschap' (Rom. 8:15): Hij leert ons als kin¬deren van God in de liefde te 'wandelen' (Ef. 5:2). Wanneer de Geest ons leidt, dan worden koude harten warm en maakt het egoïsme plaats voor het zoeken van de ander. Het is immers de Geest die ons naar het beeld van Christus vernieuwt!

Het pastoraat van de gemeente
Wanneer wij nagaan wat het Nieuwe Testament over het diakonaat van de gemeente zegt, dan komt allereerst sterk naar voren de pastorale zorg, die wij jegens de broeders en zusters hebben te oefenen. Al zijn met name de ouderlingen herders (vlg. Hand. 20:28;1 Petr. 5:1), dit be¬tekent niet dat de gemeente zelf geen pastorale zorg heeft te belonen. Heel opvallend is dat het Nieuwe Testament tal van woorden die voor het werk van ambtsdragers gebruikt worden, ook bezigt voor de aktiviteit van de leden van de gemeente 13). Te denken is hier aan woorden als vermanen, vertroosten, terechtwijzen, bestraffen, opbouwen en opko¬men voor. In de gemeente hebben wij ons om het geestelijk welzijn van de broeders en zusters te bekommeren. De Here Jezus leert ons in Matteüs 18 dat wij ons voor 'de kleinen' moeite moeten geven en dat ieder in zijn kerk het beeld van de zoekende herder moet vertonen' 14). Dit onder¬linge pastoraat heeft als grondvorm de samenkomst van de gemeente 15). Heel treffend is wat wij lezen in Hebreeën 10:24 en 25. Wij moeten op elkaar acht geven en elkaar aanvuren tot liefde en goede werken door de onderlinge samenkomst niet te verzuimen. Uit het Grieks wordt duide¬lijk dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën juist de samenkomst van de gemeente als de mogelijkheid bij uitstek ziet om herders voor el¬kaar te zijn. Wij gaan niet alleen voor de Here Goden voor onszelf naar de kerk. Wij gaan ook voor onze broeders en zusters! Zij moeten weer moed grijpen, zij moeten met ons op de geloofsweg blijven, zij moeten niet verachteren van de genade, maar volharden in het geloof. Daartoe dienen wij elkaar met name op de rustdag, wanneer wij elkaar in de kerkdienst ontmoeten' 16). Wij zingen samen, wij luisteren samen, wij bid¬den samen, wij belijden samen het geloof. En zo nemen wij elkaar mee, houden wij elkaar vast, vuren wij elkaar aan tot liefde en goede werken. In de samenkomst van de gemeente krijgt het onderlinge pastoraat zijn weergaloze gestalte. En vanuit deze grondvorm, deze fundamentele ontmoeting op de rustdag, ontmoeten wij elkaar ook in de week en zor¬gen wij voor elkaar als leden van het ene lichaam.

Het Nieuwe Testament spreekt op verschillende plaatsen over de onder¬linge pastorale zorg. De Heiland zegt: "Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen" (Matt. 18:15). Wij mogen het kwaad bij een broeder niet laten voortduren~ Wij moeten hem erop aanspreken in de wetenschap: "Zo bestaat bij uw Vader, die in de hemelen is, de wil niet, dat één dezer kleinen verloren gaat" (Matt. 18:14). Paulus wijst in Galaten 6:1 nader aan, hoe dit bestraffen dient toe te gaan: "Helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen" 17)
In de brief aan de Hebreeën lezen wij: "Ziet toe, broeders, dat bij nie¬mand uwer een boos en ongelovig hart zij, door af te vallen van de le¬vende God, maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de mislei¬ding der zonde" (Hebr. 3:12,13). De apostel Paulus geeft verschillende aspekten van het gemeentepastoraat aan, wanneer hij schiijft: "Wij vermanen u, broeders, wijst de ongeregelden terecht, beurt de kleinmoedi¬gen op, komt op voor de zwakken, hebt geduld met allen" (1 Tess. 5:14). Dezelfde apostel zegt: "Vermaant elkander dus met deze woor¬den" (1 Tess. 4:18). Voor 'vermanen gebruikt Paulus het Griekse woord parakalein, dat ook met 'vertroosten' kan vertaald worden. Let-terlijk betekent het: iemand erbij roepen. De christelijke vermaning of vertroosting is niets anders dan de ander bij het Woord van de Here roe¬pen.
Wanneer de ander door verdriet overmand is, twijfelt of door zonde wordt beheerst, moeten wij de broeder of zuster bij het Woord van de Here bepalen, terugroepen bij wat de Here zegt. In onze zorg voor el¬kaar mogen wij zeker ook met praktische raadgeving komen 18). Christus geeft ook wijsheid om elkaar in de gemeente heel praktisch verder te helpen. Paulus geeft Timoteüs het advies voortaan een weinig wijn te ge¬bruiken met het oog op zijn maag en zijn gedurige ongesteldheden (vgl. 1 Tim. 5:23). Maar de kern van de herderlijke zorg is en blijft: elkaar het Woord van de Here bedienen. Wij vinden dit heel duidelijk aangewezen, wanneer Paulus schrijft: "Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst..." (Kol. 3:16).

Wanneer Kraemer spreekt over 'het vergeten ambt' in de kerk, zijn daar wel enkele kritische kanttekeningen bij te plaatsen. In de tijd van de grote Reformatie is dit 'vergeten ambt' wel degelijk weer ontdekt. Lu¬ther benadrukt in zijn geschrift De vrijheid van een christen, dat elke christen een koning en een priester is, terwijl hij tegelijk een zeer dienst¬vaardige knecht is van allen 19). Calvijn spreekt in zijn Institutie herhaal¬delijk over het priesterschap van de gelovigen 20). Hij meent dat de de toe¬voeging 'de gemeenschap der heiligen' bij de kerk in het Apostolicum een hoedanigheid' van de kerk uitdrukt en tekent hierbij aan: "Want het is, alsof er gezegd was, dat de heiligen tot de gemeenschap met Christus vergaderd worden onder deze bepaling, dat ze alle weldaden, die God hun verleent, elkander wederkerig zouden mededelen 21). De reformatoren hebben wel degelijk geweten van een diakonaat van de ge¬meente. De neerslag van hun onderwijs vinden wij in antwoord 55 van de Heidelbergse Catechismus, waar gezegd wordt dat ieder verplicht is zijn gaven tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde te gebruiken. Ook is hier te wijzen op artikel 28 van de Nederlandse Ge-loofsbelijdenis: men moet zich voegen bij de ware kerk, opdat men zo de opbouw van de broeders dient als leden van hetzelfde lichaam.
Heel mooi brengt Bucer, de reformator van Straatsburg, dit onder woorden, wanneer hij de kerk zó omschrijft: "De kerk van Christus is de verzameling en gemeenschap van hen, die in Christus, onze Here, door zijn Geest en Woord, alzo uit de wereld bijeengebracht en tezamen ver¬enigd zijn, dat zij één lichaam vormen en leden zijn van elkaar, waarin elk zijn ambt en werk heeft tot algemene betering van het hele lichaam en van alle leden 22).

Wij hebben in de gemeente allen een pastorale taak. Wij moeten voor elkaar herders zijn door elkaar te vermanen, te vertroosten en terecht te wijzen Wanneer een broeder verachtert van de genade, dan moeten wij in beweging komen. Het mag niet voorkomen dat doopleden of belij¬dende leden zich onttrekken, terwijl zij niet of nauwelijks door de ge¬meente zijn aangesproken. In onze Kerkorde begint de tuchtoefening bij de onderlinge vermaning (vgl. art. 73). Ook de afkondigingen in het Formulier voor de uitsluiting uit de gemeente van Christus wijzen op dit onderlinge vermaan.

De diakonale zorg van de gemeente
Het dienstbetoon waartoe de gemeente geroepen is, omvat niet alleen de herderlijke zorg, maar bestaat ook in een daadwerkelijk helpen. Fris ook een taak op het terrein van het diakonaat in engere zin. Het werk van de barmhartigheid is volgens de Schrift niet slechts de opdracht van de ambtelijke diaken, maar van heel de gemeente.
Heel sterk komt dit daadwerkelijk helpen van de gemeente reeds in het Oude Testament naar voren 23). Steeds weer wordt Israël opgeroepen om barmhartig te zijn. Daarbij valt het op dat de hulpverlening aan de naaste niet een kwestie van liefdadigheid is, maar van gerechtigheid 24) Is¬raëls armen hebben réchten van de Here ontvangen. Het boek Deutero¬nomium (wel Israëls 'diakonale credo' genoemd) geeft tal van aanwij¬zingen. Vanwege de Here hebben de armen rechtop de driejaarlijkse ar¬mentiende (Deut. 14:28,29), op de deelname aan bepaalde feesten (Deut. 16:11), op de garven die bij het oogsten ophef veld achterbleven (Deut. 24:19), op de nalezing van olijf- en wijngaard (Deut. 24:20,21), op de produkten die in het sabbatsjaar op het land groeiden (Ex. 23:10,11), op de rand van het koren bij het maaien (Lev. 19:9) en op de gevallen aren op het oogstveld (Lev. 23:22). Opvallend daarbij is dat wij in het geheel niet horen over een armenzorg, die van de tempel of van de ambtsdragers uitging. De zorg voor de behoeftigen is onder Israël echt een zaak van de geméénte geweest.
De jonge christelijke kerk leefde uit dit onderwijs in de wet van de Here. Dat blijkt duidelijk in het boek Handelingen. Aanvankelijk was de zorg voor de behoeftigen geheel een zaak van de gemeente. De apostelen kwamen er niet aan te pas 25). In de Handelingen 2:45 lezen wij dat er tel¬kens waren, die hun bezittingen en have verkochten en ze zélf uitdeel¬den aan allen die er behoefte aan hadden.

In een later stadium gingen de apostelen zich ermee bemoeien. Dat sta¬dium ontmoeten wij in Handelingen 4:32-37, waar wij lezen dat men de opbrengst van verkochte bezittingen legde aan de voeten van de aposte¬len en dat aan ieder uitgedeeld werd naar behoefte. Dit betekent niet dat nu de apostelen zelfde hele armverzorging in de grote gemeente van Jeruzalem gingen waarnemen. Er staat niet: zij deelden uit, maar: aan een ieder werd uitgedeeld. Het passieve wekt de indruk dat er een hele kring van gemeenteleden was, die bij dit dienstbetoon was ingescha¬keld. Een derde stadium vinden wij in Handelingen 6. De apostelen dra¬gen dan de leiding van het barmhartigheidswerk over aan zeven broe¬ders. Zij worden niet 'diakenen' genoemd. Maar duidelijk is wel dat zij de leiding ontvingen bij de hulpverlening in de kerk van Jeruzalem 26).
Hoewel de zeven broeders leidinggevend optraden, bleef de gemeente ook zelf aktief. De klacht van de Grieks-sprekenden tegen de He¬breeën, dat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging werden verwaar¬loosd, kan heel goed hebben ingehouden, dat deze weduwen niet wer¬den ingeschakeld bij de verzorging van behoeftige broeders en zusters 27). Deze weduwen waren dan geen objekt, maar subjekt van de diakonale zorg.
Ook kan hier nog gewezen worden op de 'jonge mannen', die Ananias en Saffira ten grave droegen (Hand. 5:1 11). Begraven is oudtijds echt diakonaal werk geweest. Mogelijk waren deze jonge mensen bij de dia¬konale arbeid betrokken.
Men kan ook nog wijzen op Tabita, de discipelin, met de weduwen te Joppe (Hand. 9:37 e.v.). Ook deze vrouwen waren aktief in de hulpver¬lening.

De brieven van Paulus verschaffen ons ook nog enkele gegevens, die erop wijzen hoezeer gemeenteleden diakonaal bezig waren in de aposto¬lische kerk. In 1 Timoteus 3:11 spreekt Paulus over 'vrouwen'. Het woordje 'hun' staat er niet in het Grieks. Het gaat niet over de vrouwen van de diakenen, maar over vrouwen, die meedoen in de hulpverlening. In 1 Timoteüs 5 handelt de apostel over de 'weduwen' boven de zestig jaar. Uit de vereisten die hij noemt, blijkt dat ook deze weduwen diako¬naal bezig waren. In Romeinen 16:1 noemt Paulus nog Febe, die hij be¬titelt als 'dienares der gemeente'. Mogelijk was ook deze Febe bijzonder aktief in het hulpverleningswerk. Uit Fillippenzen 1:1 en 1 Timoteüs 3:8 e.v. blijkt dat er ook ambtelijke diakenen in de apostolische kerk optra¬den. Maar toch bleef er een taak voor de gemeente. In Romeinen 12:13 horen wij de oproep bij te dragen aan de noden van de heiligen en ons toe te leggen op de gastvrijheid. En in Hebreeën 13:16 klinkt de verma¬ning: "En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet". Pau¬lus bindt in 1 Timoteüs 6:18 de gemeente op het hart, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam. In Galaten 6:10 roept hij op te doen wat goed is voor allen, in zonderheid voor onze geloofsgenoten. De Korintiërs worden vermaand tot offervaardigheid in verband met de kollekte voor de kerk van Jeruzalem (2 Kor. 8 en 9).

De gemeente van Christus is geen 'ambtsdragers-kerk'. Diakenen heb¬ben niet heel de hulpverlening voor hun rekening te nemen. De leden van het ene lichaam dienen daadwerkelijk voor elkaar te zorgen. Het bevestigingsformulier voor diakenen zegt terecht dat het een eerste taak van diakenen is, te zorgen voor de goede voortgang van het dienstbe¬toon in de gemeente. Het formulier voegt eraan toe: "Zij zullen zich door huisbezoek van de moeiten op de hoogte stellen en de leden van de gemeente tot hulpbetoon opwekken".
Er is veel nood in de gemeente. Er zijn er die vereenzamen, er zijn er die geldzorgen hebben. Anderen gaan onder ziekte of verdriet gebukt. Fris de moeite van het werkeloos-zijn en er zijn de gevaren van het moderne leven voor jonge kamerbewoners. Christus wil dat in zijn gemeente nie¬mand ongetroost leeft. Hij geeft ons aan elkaar om voor elkaar metter¬daad te zorgen. Bij het laatste oordeel zal het gaan juist om ons diako¬naal optreden. De vraag zal dan branden, of wij Christus hebben gezien in zijn minste broeders (vgl. Matt. 25:31-46).

Duidelijk is dat het Nieuwe Testament ons een gemeente laat zien, die funktioneert als een lichaam, waarvan de leden gelijkelijk voor elkaar zorgen. De roeping van de ambtsdragers is niet zoveel mogelijk zelf te doen, maar de gemeente te aktiveren en te stimuleren. De ambtsdragers zijn gegeven "om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon" (Ef. 4:12). Ambtsdragers dienen, opdat de gemeente gaat dienen. Heel mooi krijgt het allemaal zijn plaats in Efeziërs 4. De apostel begint met de dienst van de gelovigen: "Maar aan ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven (vers 7). Dan spreekt hij over de ambtsdragers en hun taak (vers 11,12). En vervolgens laat de apostel zien, hoe door het bezig zijn van ambtsdra¬gers en gemeenteleden het lichaam groeit, wanneer hij schrijft: "door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oe¬fent".
Men spreekt vandaag veel over een 'zorgzame samenleving'. De ge¬meente van Christus dient een zorgzame samenleving te zijn, een huis van liefde, waar men elkaars lasten draagt en zo de wet van Christus ver¬vult (Gal. 6:2). Daadwerkelijk moeten wij tonen dat 'de gemeenschap der heiligen' naar het woord van Calvijn een 'hoedanigheid' van de kerk is.


uit: Die alles in allen volmaakt; een bundel praktisch-theologische opstellen.
Haarkem, AcaMedia, 1990, p. 9-20


Noten:
1) R. Kraemer, Het vergeten ambt in de kerk. Een theologische fundering, 's-Gravenhage (1960).
2) H. Kraemer,a.w., p.9.
3) Vgl. A.J. Bronkborst, Het ambt. in: H. Berkhofe.a., Protestantse Verkennin¬gen na 'Vaticanum II', 's-Gravenhage 1967, p.117 e.v.; F. Maimberg, Eén li¬chaam en één Geest. Nieuwe gezichtspunten in de ecclesiologie, 1958.
4) Vgl. bijv. A. Kooij, Het dienstbetoon van de gemeente, Dienst, XVIII, nr. 4, p.12 e.v.; K.T. de Jonge, Diakonaat en gemeente, Theologia Reformata, XXIX, nr. 3, p.292 e.v.; A.N. Hendriks, De gemeenschap der heiligen, Rondom het Woord, XXXI, nr. 4, p.63 e.v.; A. Kooij, De diaconale gemeen¬te, in: A. Kooij en C. Trimp, Zaaien op dankdag, Barneveld (1988), p.100 e.v.
5) Vgl. voor de ambtelijke diaken A.N. Hendriks, Met het oog op de gemeente. Populair-theologische bijdragen, Haarlem 1987, p.81 e.v.
6) Vgl. A. Kooij, De diaconale gemeente, p.101,102.
7) K. Runia, De dienstknechtsgestalte van het ambt, in: De knechtsgestalte van Christus. Studies door collega's en oud-leerlingen aangeboden aan prof dr. H.N. Ridderbos, Kampen 1978, p.195.
8) C.H. Dodd heeft een overzicht gegeven van alle plaatsen in het Nieuwe Testa¬ment waar verwijzingen naar de liederen over de Knecht des HEREN voorko¬men. Het blijkt dat op twee verzen na de hele passage Jes. 52:13-53:12 in het Nieuwe Testament wordt aangehaald. Vgl. K. Runia, a. w., p.195.
9) Vgl. A. Noordegraaf, Johannes 13 en het diakonaat, Theologia Reformata, XXXI, nr. 1, p.6 e.v.
10) A. Noordegraaf, a.w., p.19.
11) Vgl. J.P. Versteeg, Oog voor elkaar. Het gebruik van het woord 'elkaar' in het Nieuwe Testament, Kampen 1979, p.11,12.
12) Vgl. C. Trimp, De gemeente en haar liturgie, Kampen 1983, p.32.
13) Vgl. M.H. Bolkestein, Zielszorg in het Nieuwe Testament, Den Haag 1964,
14) C. Trimp. Ministerium. Een introductie in de reformatorische leer van het ambt, Groningen 1982, p.158 e.v. geeft een brede exegese van Matteüs 18:1 e.v.
15) G.N. Lammens, Tot Zijn gedachtenis. Het commemoratieve aspect van de avondmaalsviering, Kampen 1968, p.191 noemt terecht de samenkomst van dc gemeente de grondvorm van alle kerkelijke diakonia.
16) A.A. van Ruler, Waarom zou ik naar de kerk gaan?, Nijkerk 1971~, merkt op: 'De Kerk is de gemeenschap met de middelaar, met de drieënige God en met elkaar-in-Christus. Daar moet men telkens weer binnentreden. Daarom is elke nieuwe kerkgang niet alleen verlichamelijking en demonstratie, maar ook verwerkelijking en viering van de gemeenschap en inzoverre ook echte in¬lijving te noemen" (p.87,88).
17) J. van Andel. De gemeenschap der heiligen, Kampen 1904, p.110 zegt prach¬tige dingen over de broederlijke bestraffing. "Slechts wie bestraffing verdra¬gen wil, is bekwaam om bestraffing toe te dienen" (p.1 13).
18) C. Trimp, Media vita. De betekenis van de gereformeerde ambtsleer voor de 'humaniteit' in de kerkelijke zielszorg, Groningen 1981, p.50 e.v. spreekt over de wijsheid van Christus, die in de paraklese mag worden uitgedeeld. Hij noemt de raadgeving een 'essentieel onderdeel' van de zielszorg (p.53).
19) Vgl. Maarten Luther, De vrijheid van een christen, in: C. Impeta, Luthers werken. Kampen 1959, p.136 e.v. Bekend is ook Luthers uitspraak: "Wat uit de doop omhoog gekropen is, dat mag zich beroemen, dat het reeds tot pries¬ter, bisschop en paus is gewijd".
20) Vgl. Institutie, II,7,2;15,6, 111,4,4; IV,6,2;18,2;19,30
21) Institutie, IV.1.3.
22) Geciteerd bij K. Exalto, Een pastorale gemeente, Apeldoorn 1986, p.17.
23) Hierover breder A.N. Hendriks, Werelddiakonaat? Enige opmerkingen over de hulpverlening aan de verre naaste, Groningen 1971, p.13 e.v.
24) J.J Dronkers, Radicale diaconie, in: Zaaien op dankdag, p.16 e.v. handelt over het bijbelse begrip 'gerecbtigheid'.
25) Vgl. D.J. Karres, De gemeente en haar diakonaat, 's-Gravenhage 1969, p.28 e.v
26) J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk. Een exegetisch mozalek, Kampen 1984. p.74 e.v. wijst op het specifieke van de taak van de 'zeven'.
27) Vgl. J. van Bruggen, a.w., p.70,71.
terug