Diaconale hulp naar buiten (2-2)
Gaat het bij diaconale hulpverlening om de geloofsgenoten, zodat het een binnenkerkelijke activiteit blijft, of reikt de diaconale opdracht verder dan de kerkmuren? Een vervolg artikel.
Gaat het bij diaconale hulpverlening om ‘de geloofsgenoten’, zodat het een binnenkerkelijke activiteit blijft, of reikt de diaconale opdracht verder dan de kerkmuren?Die vraag wordt de laatste jaren indringend door diakenen en ook door verschillende gereformeerde auteurs gesteld.
De antwoorden zijn anders dan vijfentwintig jaar geleden.
In het vorige artikel werd aangegeven dat de afwijzing van het werelddiaconaat in de jaren zeventig geleid heeft tot verwaarlozing van alle ‘extern gericht’ diaconaat. In dit laatste artikel een noodzakelijke correctie op deze ontwikkeling en een pleidooi voor meer diaconaal-missionaire activiteiten naar ‘buiten’. Daarbij gaat het ook over de onderscheiden verantwoordelijkheden van ambt en gemeente.
Extern diaconaat is geen werelddiaconaat
Het vorige artikel werd afgesloten met een positieve beoordeling van de diaconale taak van de kerk in de samenleving. In dit artikel willen we wat dieper ingaan op de onderscheiden verantwoordelijkheden van diakenen en gemeenteleden bij extern gericht diaconaat.
Dr. C. Trimp heeft aangetoond dat op de achtergrond van deze discussie over ‘extern diaconaat’ meespeelt de klassieke kuyperiaanse onderscheiding van de kerk als instituut (die het Woord verkondigt) en de kerk als organisme (de gelovigen die particulier geroepen zijn tot daden van barmhartigheid). Trimp - en De Ruijter met hem - verwerpen dit kuyperiaanse schema.
Zonder van werelddiaconaat te willen spreken zien zij de noodzaak in van hulpverlening buiten de vrijgemaakt-gereformeerde context. De relatie met evangelieverkondiging wordt daarbij voortdurend beklemtoond. Iets wat in het werelddiaconaat werd gemist.
De Ruijter verzet zich ook tegen de gedachtengang dat alleen tot kerkelijke taak gerekend mag worden wat uit de Schrift afgeleid kan worden als ambtelijke taak.
Hij vindt dat dan het optreden en de taak van de gemeente versmald wordt tot haar ambtelijk optreden.
Als de ambten worden gezien in het licht van de toerusting van de gemeente, kan hier geen sprake zijn van een tegenstelling.
“Waar voor de gemeente een roeping tot dienstbetoon ligt, ziet de ambtsdrager zich geroepen toerustend voor te gaan”.
Het valt op dat Trimp en De Ruijter bij ‘extern gericht diaconaat’ veel eerder denken aan diaconale activiteiten en projecten in de directe nabijheid van de plaatselijke gemeente, dan aan mondiale hulpverleningsprojecten die gelijkenis vertonen met werelddiaconaat.
Je kunt zeggen dat de vraagstelling sinds 1971 is verschoven van: A mogen diakenen de nood van de wereld lenigen in een ontwikkelingsland’, naar de vraag: welke (extern gerichte) diaconale of missionair-diaconale activiteit kan de plaatselijke gemeente+diakenen oppakken buiten de eigen gemeente.
Omdat deze vraagstelling anders is dan die van 1971 kunnen we ook niet met de antwoorden van 1971 volstaan die betrekking hadden op werelddiaconaat.
Extern diaconaat is: het Evangelie laten zien
In publikaties en congressen ter voorbereiding op voorstellen aan de synode van Leusden t.a.v. Zending en Hulpverlening, is het thema ‘extern gericht diaconaat’ o.m door Te Velde, Griffioen en Venema en Van de Kamp in positieve zin aan de orde gesteld.
Veel van deze nieuwe meningsvorming is terug te vinden in de brochure ‘Liefdedienst aan allen’. Dit boekje verscheen op verzoek van het Diaconaal Steunpunt en De Verre Naasten in maart 1999 en werd geschreven door ds. Henk Venema.
Heel het boekje van Venema is een pleidooi om op verantwoorde wijze een positieve invulling te geven van de diaconale taak tot hulpverlening aan naasten buiten de kerk.
Gradaties in verantwoordelijkheid.
Het aanbrengen van een scheiding tussen enerzijds de gemeenteleden die wèl en anderzijds de ambtsdragers die géén verantwoordelijkheid hebben voor de liefdedienst aan allen is een gekunsteld onderscheid dat geen recht doet aan de werkwijze van de ambtelijk gestructureerde gemeente
In dit verband is het belangrijk om oog te hebben voor ‘gradaties in verantwoordelijkheid’.
Bij extern gericht diaconaat kunnen zowel de gemeente als de ambtsdragers een (verschillende) verantwoordelijkheid hebben. In het verleden is er te ongenuanceerd gewerkt met een allesomvattend, massief verantwoordelijkheidsbegrip: als gemeenteleden verantwoordelijk zijn voor de hulp aan ‘de wereld in nood’ dan kunnen (mogen) de diakenen dus niet verantwoordelijk zijn.
Ook Hendriks blijft in zijn CDC-toespraak van 1992 een wat gekunsteld onderscheid maken tussen de ambtelijke verantwoordelijkheid en de gemeentelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van ‘extern gericht diaconaat’
In de congresbundel ‘Zending in beweging’ ter voorbereiding op het gelijknamige congres in 1995, heeft Dr. M. te Velde deze gedachtengang afgewezen. Enkele citaten:
Zending en hulpverlening 1995
“Het betonen van barmhartigheid aan de huisgenoten des geloofs en aan anderen die op onze weg worden geplaatst is de taak van de ambtelijk gestructureerde gemeente. D. w. z. dat werk is niet het werk van de diakenen en het is ook niet het werk van de gemeente, maar altijd het werk van de gemeente met de ambtsdragers als ‘toerusters’ en met vooral de diakenen als voortrekkers en ‘dienstgeleiders’ op het terrein van de praktische uitvoering. Je moet hier altijd met twee woorden spreken en niet proberen de zaak naar één van beide kanten (gemeente of ambtsdragers) op te lossen.”
“Als de individuele gelovige barmhartigheid bewijst, dan kun je dat ‘particuliere’ barmhartigheid noemen. Maar het is tegelijk ook ‘gemeentelij¬ke/ker¬kelijke barmhartigheid. Hoe zou christelijke barmhartigheid, in de naam van Christus en door de liefde uit Christus bewezen, immers ooit niet-kerkelijk genoemd kunnen worden? En hoe zouden we het ‘gemeentelijk’ ooit tot het werk van de ambtsdragers kunnen beperken? Het is niet juist om alleen kerkelijk te willen noemen datgene wat door ambtsdragers wordt gedaan of wat rechtstreeks onder hun leiding staat. Het is niet juist als we de gemeente alleen zien functioneren, daar waar de ambtsdragers actief en present zijn. Kerk-zijn is ook dat wat de gelovigen zelf doen op hun eigen plek.
M. te Velde
Hier wordt het verkeerde dilemma tussen particuliere gemeenteleden (die wel extern diaconaal gericht mogen zijn) en de kerk en haar ambten (die dat niet zouden mogen) terecht afgewezen.
Als er een verantwoordelijkheid ligt voor gemeenteleden t.a.v. de nood in de wereld, dan ontstaat er daarmee ook een verantwoordelijkheid voor de ambtsdragers, voor de gemeente en omgekeerd. De impulsen voor extern gericht hulpbetoon kunnen zowel bij de diakenen als bij de gemeente vandaan komen
Het is niet mogelijk en niet nodig om daartussen een strikte waterscheiding aan te brengen.
Als we zeggen dat de diakenen voorop moeten gaan in het activeren van de diaconale gemeente dan kan dat ook betekenen dat diakenen zelf het voortouw nemen bij een ‘extern diaconaal project’, ook al zullen zijn de gemeente daar maximaal bij inschakelen.
Belangrijker dan dit subtiel onderscheiden van verantwoordelijkheden is de vraag: hoe kunnen we in dit project het Evangelie op een geïntegreerde manier brengen en zichtbaar maken.
De kerk moet zich in zulke projecten niet laten afficheren als hulpverlener in maatschappelijke nood die er is voor de samenlevingsopbouw.
Geluiden van anderen
Ook niet-vrijgemaakte auteurs hebben zich uiteraard in het extern diaconaat verdiept. Zo heeft
A. Noordegraaf in zijn ‘Oriëntatie in het diaconaat’ een hoofdstuk gewijd aan het thema diaconaat en samenleving.
Hij stelt de vraag in hoeverre de kerk als instituut (c.q. de diaconie) hulp moet bieden aan een samenleving in nood of dat zij dit moet overlaten aan de eigen verantwoordelijkheid van gemeenteleden. Hij spreekt in dit verband over de smalle weg tussen de Scylla van de verkerkelijking van het leven en de Charybdis van kerkelijke introvertie.
Zijn antwoord is overtuigend:
AAltijd zal het erom moeten gaan dat in het diakonale werk - ook in de breedte van de noden van de samenleving - de verbinding met het getuigenis van Gods geboden en beloften aanwezig blijft. Diakonale arbeid is geen samenlevingsopbouw ook al kunnen diakenen en gemeenteleden in facetten van deze arbeid participeren.
We wijzen een introverte kerkelijkheid die geen oog heeft voor de sociaal-ethische aspecten van de diakonia af. Wij verwerpen ook een vermaatschappelijking van de kerkelijke praxis, waarbij de kerk verwordt tot een maatschappelijke actiegroep.
Diakonaat is getuigenis metterdaad in de samenleving, niet conform de normen van een of andere welzijnspolitiek, maar overeenkomstig Gods Woord.
Het is de liefde van Christus die drijvend motief is in de dienst jegens de samenleving”
Introvert of extravert?
Noordegraaf noemt isolement en aanpassing beide verkeerde antwoorden op de uitdaging van een geseculariseerde wereld in nood. Hij kiest voor de weg van de penetratie.
“Het diakonaat van de gemeente in een geseculariseerde wereld heeft alleen maar toekomst als we kwetsbaar en weerbaar op onze post blijven in de wapenrusting van God (Efez. 6: 10-20).
Belangrijk voor de doorvertaling van het Evangelie naar buiten toe is dat de woorden niet stukbreken op de daden. Een gemeente waar daadwerkelijk iets zichtbaar wordt van de liefde van Christus Jezus jegens de slachtoffers en de armen zal ook in onze tijd vragen oproepen en aanstekelijk werken” (Noordegraaf, bld 168).
Hij concludeert dan ook: “zonder opdringerigheid, zonder valse pretenties zullen diakenen bescheiden, maar duidelijk mogen laten horen dat fundamenteel voor alle welzijn het herstel van de relatie met God door Jezus Christus is (Matth 6:33; 16:26)
Diakonaat is immers geworteld in de dienst van Christus Diakonos, de Redder van ons totale bestaan”
Balans
Er is alle reden om de diaconale aandacht van gemeente en diakenen meer te richten op de nood in de nabijheid van de kerk. Niet als op zichzelf staande ‘noodhulp’, maar als zichtbare tekenen van het Evangelie.
Uit het voorgaande wordt duidelijk dat afwijzing van werelddiaconaat niet mag betekenen dat diaconaat alleen maar binnenkerkelijk mag zijn.
Zeker vandaag mag het diaconaat - met inachtneming van het getuigenis van de Schrift - barmhartigheid betonen aan mensen in de omgeving van de kerk die in nood verkeren.
Zo kan het Evangelie zichtbaar worden gemaakt.
Het is te verwachten dat zodoende ook meer gecombineerde missionair-diaconale projecten vanuit de gemeente ontstaan, Daarbij is het diaconaat geen ‘worm aan de missionaire hengel’ maar het metterdaad laten zien van het Goede Nieuws (A. Noordegraaf)
Enkele slotopmerkingen voor de kerkelijke praktijk
1. De brochure ‘Liefdedienst aan allen’ is verspreid onder alle diaconieën en predikanten. In dit boekje is de ontwikkeling in het gereformeerde denken over ‘extern gericht diaconaat’ goed op een rij gezet. Een gedegen meningsvorming over dit thema aan de hand van dit boekje is prima mogelijk en ook nodig voordat (ondoordacht) met allerlei praktijkprojecten wordt begonnen.
2. Het zou goed zijn dat in de discussie over ‘extern gericht diaconaat’ onderscheid wordt gemaakt tussen werelddiaconaat zoals dat in de zeventiger jaren door de gereformeerde kerken werd afgewezen en extern gericht diaconaat dat hulp biedt in nood rondom de plaatselijke gemeente. Het extern diaconaal optreden van de gereformeerde kerken is ten onrechte verwaarloosd en geremd door onze afwijzing van het werelddiaconaat.
3. Het onderscheid tussen kerkelijk/ambtelijk diaconaat enerzijds en gemeentelijk/particulier diaconaat anderzijds is door diverse auteurs overtuigend afgewezen als een onbijbelse en onvruchtbare scheiding in de roeping van de kerk tot dienstbetoon. Kerk-zijn is ook wat de gelovigen zelf doen op hun eigen plek. Dit besef en deze houding zullen we met elkaar moeten aanleren.
Het is niet zo dat de verantwoordelijkheid voor ‘extern diaconaat’ òf geheel bij de gemeenteleden òf geheel bij de diakenen behoort te liggen. Als barmhartigheidsbetoon ‘naar buiten’ een taak is van de gemeente, hebben zowel de diakenen als de gemeenteleden een verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid kan zowel de initiëring, de stimulering, de coördinatie en de uitvoering betreffen. Daarbij blijft het vertrekpunt: de diaconale opdracht is aan de diaconale gemeente toevertrouwd.
4. In onze geseculariseerde samenleving hebben gecombineerde missionair-diaconale projecten meer uitstraling dan ‘klassieke’ vormen van evangelisatie waarbij de buitenkerkelijke zich al gauw een bekeringsobject voelt. “De principiële prioriteit van het Woord van God in de realisering van het heil behoeft geen afbreuk te doen aan het gegeven, dat dienstbetoon in Christus’ naam in zichzelf een getuigenis is van Gods reddende liefde” (A.Noordegraaf)
5. Als diakenen en gemeenteleden participeren in diaconale projecten gericht op de nood in de samenleving (bijvoorbeeld samen met de burgerlijke overheid of samen met andere instanties), dan vraagt de diaconale daad als uiting van de liefde van Christus altijd weer om het getuigenis van Zijn reddende liefde. Dat onderscheidt de diaken van de overheidszorg die gebaseerd is op wettelijke rechten en plichten. Als er ruimte is om die houding te praktizeren is het mogelijk om projectmatig samen te werken met anderen (instanties, overheid, kerken).
Dat zal altijd een zekere spanning met zich meebrengen omdat de overheid en de andere partners de kerk zien als maatschappelijke groepering die zich de nood van de wereld aantrekt.
6. Het komt de verkondiging van het Evangelie en de uitstraling van de kerk in de samenleving zeer ten goede als plaatselijke kerken diaconaal-missionair present zijn in de plaatselijke samenleving. Bovendien wordt zo ook de interne gemeenteopbouw bevorderd.
Dat vraagt om een meer externe gerichtheid van diakenen en gemeenteleden.
Zij mogen in hun eigen omgeving doen wat hun hand vindt om te doen en hoeven niet de nood van de wereld op hun schouders te nemen.
terug
