Diaken en ouderling: samen de gemeente in?

Download(s): Diaken en ouderling: samen de gemeente in?

Het Diaconaal Steunpunt wordt regelmatig benaderd met vragen over de taakafbakening tussen diaken en ouderling. In verschillende gemeenten wordt nagedacht over de taakverdeling tussen beide ambten. Dat is een goede zaak. Alleen bestaat de indruk dat soms uit verlegenheid – een tekort aan ouderlingen - gevlucht wordt in aanvechtbare ’oplossingen’.

Zo is men hier en daar bezig een combihuisbezoek in te voeren, d.w.z. dat het jaarlijkse huisbezoek voortaan door een ouderling en een diaken samen wordt afgelegd. Daar zijn best kanttekeningen bij te maken. Het Diaconaal Steunpunt vroeg Prof. dr. M. te Velde van de Theologische Universiteit in Kampen naar zijn opvattingen hierover.

Herkenning
1. Prof. te Velde, herkent u deze vragen over de taakafbakening tussen ambtsdragers uit uw eigen ’adviespraktijk’?
Kloppen de kerken ook bij u aan met deze vragen?
Ja, dat gebeurt zeker. Vaak gaat dat in de vorm, dat men wil weten ’of het mag’, dus of er een artikel van de kerkorde of een uitspraak van een synode is, die het zou verbieden. Ik vind dat niet zo’n goede benadering. De vraag moet je volgens mij positiever en breder stellen: Is het goed? Is het wijs? Is het een ontwikkeling met positief effect? Het is veel te simpel om te denken dat in de kerk alles geoorloofd is wat de kerkorde niet verbiedt. Je moet een kwestie altijd van meer kanten bekijken dan alleen vanuit de vraagstelling ’mag het of mag het niet?’. 1)

Oorzaken
2. Hoe kan het dat deze vragen vandaag opkomen, waar heeft dat volgens u mee te maken? Op zichzelf kan het toch geen kwaad dat opnieuw nagedacht wordt over die taakverdeling?
Nee, dat is prima. Laten we maar rustig onze afspraken en regelingen af en toe eens tegen het licht houden. De taakverdeling tussen ouderlingen en diakenen is zo’n punt.
De recente vragen daarover gaan volgens mij terug op voornamelijk vier oorzaken. De eerste is de werkdruk en het probleem dat kerken hebben om voldoende ouderlingen te krijgen. De tweede is, dat in een aantal gemeenten het specifieke diaconale huisbezoek niet goed van de grond is gekomen. De derde oorzaak is het denken over gemeenteopbouw. Daarin ligt veel nadruk op het gezamenlijke, op wat de verschillende soorten werk verenigt, en op de integratie van het werk. In de vierde plaats heeft deze kwestie te maken met de wijze waarop de laatste decennia de kerkenraden zijn gaan werken. Die houden zich meer dan vroeger bezig met het algemeen beleid en de algemene leiding van de gemeente. Zo is er een soort koepel-ambt van ’kerkenraadslid’, van ’ambtsdragerzijn’ ontstaan, waarbij de ambten van ouderling, diaken en predikant als een soort onderafdelingen van dat koepel-ambt worden gezien. De eigenheid van elk van de ambten komt dan meer op de achtergrond.

Gegevens Nieuwe Testament
3. Geeft het Nieuwe Testament wel concrete aanwijzingen over de taakverdeling tussen ambtsdragers? Of hebben de kerken vandaag een grote vrijheid bij de invulling van die taakverdeling?
De gegevens van het Nieuwe Testament zijn niet zo eenduidig dat er voor de kerk van vandaag zo maar een ambten-patroon en een taakverdeling uit weg komen lopen. Ik heb over de wijze waarop men de afbakening van de ambten regelde in de 16e eeuw (Bucer, Calvijn, Beza, à Lasco enz.) uitvoerig geschreven in De Reformatie van november en december 1993. Daar kun je nalezen, dat gereformeerde kerkordes, belijdenissen en boeken over kerk en ambt beslist niet allemaal dezelfde afbakening van de ambten hebben. We moeten ook vandaag niet proberen om onze structuren en taakverdelingen allemaal te herleiden tot aanwijzingen die er in de Bijbel te vinden zouden zijn. De Here heeft veel concretisering van het kerkelijk leven aan onze gelovige wijsheid en creativiteit overgelaten. Je vindt in het Nieuwe Testament wel een paar hoofdlijnen, ook als het om de afbakening en taakverdeling gaat. Op verschillende plaatsen vinden we een belangrijke tweedeling in de functies van de gemeente. Die tweedeling is: Woord en dienst, spreken en dienen. Je ziet een eerste vorm daarvan in Handelingen 6: de apostelen nemen ’de dienst van het Woord en het gebed’ op zich, en ’de zeven’ nemen ’de dienst van de tafels’ voor hun rekening. Ook in Rom. 12:3-8 komen we twee terreinen tegen: ’profetie’en ’dienst’. 2)

Eenzelfde verdeling zie je in 1 Petr. 4:10,11: ’ Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God; dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleend.’
Ik zie hier een tweevoudige structuur die aansluit bij een patroon dat in ons mens zijn aanwezig en heel bepalend is. Wij hebben een lichamelijk, stoffelijk, handelend, praktisch leven. En we hebben een mentaal, denkend, onstoffelijk, psychisch leven. De Here Christus is Redder van ons hele bestaan, van ons met lichaam en ziel. Hij is de Verlosser in al onze geestelijke noden, maar ook in onze materiële en sociale noden.
Het is heel plausibel, dat in de functieverdeling en ambtenafbakening die tweedeling is terug te vinden en dat er voor de pastorale en de diaconale zorg bij ons twee verschillende ambten zijn. Juist ook omdat het zo aansluit bij wat praktisch uitvoerbaar is. Natuurlijk is dat geen harde, absolute regel voor elke situatie. De Here Jezus zorgde zelf als het ware pastoraal èn diaconaal voor de mensen. De apostelen deden dat in de eerste fase van hun werk ook. De beide kanten van het mensenbestaan kunnen dus wel in één functie worden behartigd. Er kan ook vandaag in een kleine christelijke gemeente, bv. op het zendingsveld, reden zijn om alleen twee oudsten aan te stellen, die dan zowel de pastorale als de diaconale taken voor hun rekening nemen. Maar waar de kerk tot uitbouw komt, is het een vooruitgang als er een verdere differentiatie komt zoals die zich in de apostolische eeuw ontwikkeld heeft. Daar moet je niet te gauw achter terug gaan.

Bevestigingsformulieren
4. Hoe concreet zijn de bevestigingsformulieren over die taakafbakening en samenwerking tussen ambtsdragers? En welke afspraken hebben we hierover gemaakt in de kerkorde?
Die afspraken zijn heel helder. Wij hebben in onze situatie (net als bijna alle gereformeerde kerken over de hele wereld) gekozen – naast het predikantschap – voor een duidelijke tweedeling van enerzijds het geestelijke, pastorale leiding geven met het Woord als taak van ouderlingen en voor het helpen in materiële en sociale nood als taak van de diakenen. In de kerkorde hebben die beide ambten dan ook elk een eigen specifieke definitie (art. 21 en 22 KO). In de bevestigingsformulieren wordt dat nader uitgewerkt. Voor beide ambten wordt in dezelfde artikelen ook een eigen huisbezoek voorgeschreven, een huisbezoek met een eigen karakter. Dat geeft aan elk ambt de volle ruimte om de eigen aard van het werk uit de verf te laten komen, om beide stukken heilswerk tot goede groei en bloei te laten komen. De Here Christus is een volkomen Heiland. Het diaconale mag (dat is ook de ’drive’ in Hand. 6!) niet in de schaduw van het pastoraat komen te staan en het pastoraat niet door het diaconale in de verdrukking raken.

Samen op huisbezoek?
5. In kleine gemeenten met heel weinig ambtsdragers gaan ouderling en diaken vaak samen op huisbezoek. Dat is meen ik ook geaccepteerd binnen onze kerken. Maar zou u deze werkwijze ook willen aanbevelen voor gemeenten waar voldoende ambtsdragers aanwezig zijn?
Hier is art. 37 KO aan de orde. Over dat artikel bestaan op dit moment nogal misverstanden onder ons. Art. 37 is geen bewijsplaats voor de eenheid van de ambten. Art. 37 gaat er ook niet over, dat de ouderlingen en diakenen gezamenlijk hun werk doen. Het artikel zegt alleen maar dat ze in kleine kerken gezamenlijk zullen vergaderen . Een vergadering van twee diakenen of van twee ouderlingen vormt immers geen volwaardig college. Het is een oude wereldwijde rechtsregel dat je minstens drie mensen nodig hebt om een college te kunnen vormen. Onder de oude kerkorde (vóór 1978) werd de bepaling van dit artikel inzake het vergaderen intussen ook wel wat uitgebreid naar het ambtelijk werk. De diaken werd dan vaak gezien als ’hulpouderling’, die ook wel mee kon gaan op het gewone jaarlijkse pastorale huisbezoek en die ook naar de classis kon worden afgevaardigd. Bij de herziening van de KO in 1978 zijn we echter afgestapt van de gedachte van het hulpouderling zijn van de diaken. Er is uitdrukkelijk gekozen voor wederkerigheid: in een kleine kerkenraad hebben diakenen adviserende stem in pastorale zaken, maar ook de ouderlingen niet meer dan adviserende stem in diaconale zaken. Ik merk dat in de kerken de oude gedachte en praktijk nog naijlen. Toch is het – zeker sinds 1978 - onjuist om voor het instellen van een combi-huisbezoek een beroep te doen op art. 37 KO., dat in de nieuwe tekst juist benadrukt dat de beide ambten onderscheiden blijven, ook al vergadert men samen.

’Eigen profilering’ ambtsdragers
6. Pastoraat en diaconaat in de gemeente hebben toch wel veel met elkaar te maken. Waarom kiest u dan toch voor ’eigen profilering’van de afzonderlijke ambtsdragers?
Omdat de kerken niet voor niets op basis van de Schriftgegevens dat eigen profiel hebben bepaald en in hun kerkorde en bevestigingsformulier hebben vastgelegd. Profilering is geen doel in zichzelf, maar heeft als doel om het werk beter, dieper, grondiger uit te voeren. Ik zie aankomen dat een vervaging van het verschil tussen ouderling en diaken in de praktijk gaat leiden tot veralgemenisering van het jaarlijkse huisbezoek. Het is nu al zo moeilijk vaak om tot een goed, inhoudelijk, diepergaand gesprek te komen in elk gezin. Creëer je een combi-bezoek, dan zie ik een groter risico dat het gesprek een meer algemeen en oppervlakkig karakter krijgt. Als je de tijd moet verdelen tussen pastoraat en diaconaat kun je even wat thema’s aansnijden, maar het is ook zo weer voorbij. Oppervlakkigheid is op dit moment volgens mij een van de gevaarlijkste kwalen in ons kerkelijk leven!
I
k begrijp uit adviesvragen, dat men vermenging en vervaging wil voorkomen door het gesprek duidelijk in twee gedeelten te knippen, een pastoraal en een diaconaal gedeelte. Maar waarom gaan de ouderling en de diaken dan niet elk afzonderlijk een keer naar zo’n gezin toe? Netto zal er dan beter en diepgaander aan de geestelijke opbouw gewerkt kunnen worden.
Er is nog een ander punt. Als men de diaken mee wil laten doen in het pastorale gesprek en de ouderling in het diaconale, heeft dat ook consequenties voor de vereiste gaven. De aard van het werk vraagt immers om verschillende gaven. Voor pastoraal werken met het Woord, het oefenen van geestelijk opzicht en tucht heb je andere gaven en andersoortige kennis, vaardigheden en aanpak nodig dan voor diaconaal werken in praktische menselijke nood. Dat vergt dus ook een andere selectie: je moet bij de talstelling anders naar mensen gaan kijken dan we tot nu toe deden. Eigenlijk zie ik in zo’n combi-bezoek maar één voordeel: dat de pastorale en de diaconale dimensie van het leven meer met elkaar in verband kunnen worden gebracht. Maar dat weegt voor mij niet tegen de nadelen op. De differentiatie en specialisatie die er al in de vroege kerk was en die we sinds de Reformatie hebben vormgegeven in de drie ambten van predikant, ouderling en diaken hebben ons veel winst opgeleverd. Ook moderne onderzoeken leren ons trouwens, dat een duidelijk afgebakende ’taak-identiteit’ goed is voor het rendement en voor het plezier in het werk. Het in elkaar schuiven van functies is bijna altijd een armoede- optie. Wat mij betreft moet het die kant zeker niet op.

Probleem van werkdruk
7. Maar blijven we zo niet zitten met de problemen van werkdruk en gebrek aan mankracht? Hoe lossen we die dan op?
Mag ik even aanknopen bij het woord ’armoede’ dat ik net gebruikte? Het gebrek aan vooral ouderlingen in een aantal gemeenten heeft volgens mij aan de ene kant te maken met scheefgegroeide structuren en werkwijzen, aan de andere kant met geestelijke schraalheid onder ons.
Bij structuren en werkwijzen denk ik aan de overbelasting van kerkenraden, die veel te veel organisatorisch, beleidsmatig en conflicthanterings- hooi op hun vork hebben, waardoor het eigenlijke werk, de geestelijke bezinning en het positief leiding geven aan de gemeente, in de verdrukking raken. Als we dat voor onze ouderlingen niet radicaal veranderen, bv. in een verhouding van 80 % van de tijd pastoraal kunnen werken en niet meer dan 20 % hoeven te besteden aan algemeen beleid, dan zal het zo blijven dat voor een aantal broeders met de nodige gaven het ouderlingschap gewoon niet te behappen is of dat ze er de animo niet voor op kunnen brengen. En dan de andere kant, de geestelijke schraalheid. Er zijn weinig kerkgemeenschappen in de wereld waar in de kerkleden van jongs af zó geweldig veel geïnvesteerd wordt in bijbel- onderwijs en instructie in de christelijke leer, de ethiek en de kerkgeschiedenis. Het is onbegrijpelijk dat zo’n gereformeerde ’super-cultuur’ dan zo’n tekort aan menskracht in de kerk oplevert! Vervluchtigt al die bagage dan? Of ontbreekt het onder ons aan toewijding en overgave voor de dienst van God? Of is er nog iets anders aan de hand?
Als kerkenraden op gebrek aan mankracht stuiten, is het daarom belangrijk om een diepgaande analyse te maken van de oorzaken, zowel in praktisch als in geestelijk opzicht. Om daar dan met de gemeente over in gesprek te gaan. En om er concrete maatregelen aan te verbinden, waardoor we – als God het zegent - over een aantal jaren weer uit de negatieve spiraal kunnen komen.
Zolang de malaise voortduurt zijn er dan uiteraard interim-oplossingen nodig. Als zodanig is een combi-huisbezoek een mogelijkheid. Zelf zou ik voor de meeste adressen de voorkeur geven aan een eenmanshuisbezoek van een ouderling naast een dito bezoek van een diaken.

Beeldvorming diakenen

8. Diakenen die diaconaal huisbezoek brengen merken soms dat de gemeente vreemd opkijkt als de diaken langs komt. Hoe zou je die beeldvorming kunnen veranderen? Dat maakt het voor diakenen dan ook makkelijker om zelfstandig op bezoek te gaan.
Er is onder ons sinds de jaren ’60 een pleidooi gehouden voor periodiek huisbezoek door diakenen. Wel geen jaarlijks bezoek misschien, maar dan toch eenmaal per drie of vier jaar. Het diaconaal huisbezoek als fenomeen is ook in 1978 in de Kerkorde (art. 22) vastgelegd. Ik ben benieuwd hoe veel procent van de diakenen dat realiseert en of het naar hun beleving en die van de kerkleden zinvol kan worden ingevuld. Over mogelijke verbeter-opties zou ik geen uitspraak durven doen. Er is m.i. eerst een grondig praktijk-onderzoek nodig om de bestaande situatie in beeld te krijgen. Bij gebrek aan goede gegevens kan ik hier geen analyse en adviezen voor formuleren. (noot van het DS: kijk voor dit praktijk onderzoek eens naar het rapport Leiding geven aan liefdewerk).

Wat wèl samen doen?
9. Zijn er ook zaken in de kerkelijke gemeente die ouderling en diaken als regel wel samen moeten/kunnen doen?
Ik denk hier allereerst aan het goede overleg dat ze moeten hebben over de adressen in hun eigen wijk. Niet om alles dan maar met elkaar te delen. Het ambtsgeheim voor eigen terrein moet goed bewaard worden. Maar wel om het pastoraal en diaconaal meeleven met de mensen te bevorderen en in de geestelijke opbouw ook verschillende aspecten van het leven en geloven met elkaar te kunnen verbinden. Die uitwisseling kan dan tot betere geestelijke bearbeiding van de mensen leiden.
Verder heb ik in de praktijk ervaren dat je in gezinnen met grote financiële en sociale problematiek het beste af en toe samen als diaken en ouderling op bezoek kunt gaan. Daar zijn immers de problemen meestal heel complex en is alles met alles verweven.
En verder zijn er natuurlijk wijkavonden, bezinningsvergaderingen van de kerkenraad en beleidsonderwerpen waarin het waardevol is om de diverse ambtelijke dimensies weer bij elkaar te laten komen. Want dat is uiteindelijk toch wel weer wat de Here zoekt: dat de hele mens door middel van gedifferentieerde ambtelijke dienst geholpen wordt om deel te krijgen aan Gods ene, veelzijdige verlossing.

Ambten in de 21ste eeuw
10. De redactie van ’Dienst’heeft het voornemen om in november 2002 een jubileum- symposium te wijden aan het thema ’Ambten in de 21e eeuw’. Vindt u dit een belangrijk en actueel symposiumthema voor ’Dienst’?
Ja zeker. De kerkelijke praktijk is een levendig gebeuren, voortdurend in beweging. En de cultuur van de 21e eeuw waarin we leven staat ook niet stil, integendeel! Dat stelt ons voor allerlei vragen en uitdagingen. Zo is het trouwens alle eeuwen door geweest. De uitoefening van het ambt in het midden van de 20e eeuw was niet identiek aan die van honderd of tweehonderd of driehonderd jaren eerder. Daarom is het jubileum van ’Dienst’ een goed moment om eens een tussenbalans op te maken en om naar de toekomst te kijken. Hopelijk zal het symposium bruikbaar bezinningsmateriaal opleveren voor de ambtsdienst in de plaatselijke gemeenten. Want dáár moet het toch uiteindelijk gebeuren!

Punten ter bespreking
1. Hoe zou u de samenwerking tussen ouderlingen en diakenen binnen uw kerkenraad omschrijven?
2. Welke mogelijkheden ter verbetering ziet u?
3. Welke tips geeft het gesprek met Te Velde u?

J. Lenting is Diaconaal Consulent
M. te Velde is hoogleraar Gemeenteopbouw


1) Via een appèl vanuit een van de kerken is de kwestie van het gezamenlijk huisbezoek door ouderlingen en diakenen op de generale synode van Leusden in 1999 aan de orde geweest. Zie Acta art. 113. De invalshoek bleef daar beperkt en de uitspraak levert voor de vraagstelling in dit interview weinig op.
2) Zie voor een uitgebreide bespreking van dit gedeelte: J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk (2e druk; Kampen 1987) 146-153.


Dit artikel is verschenen in Dienst 50 (2002).

terug