Het ambt en de positie van de diaken in de gemeente van Christus

Een publicatie over de positie van de diaken als ambtsdrager

Aanleiding
In zijn boek Zorgen voor de gemeente geeft professor C. Trimp ook ruime aandacht aan het ambt van de diaken 1).
Hij schetst hoe dit ambt in de loop van de tijd in verval geraakt is. De grote Reformatie van de zestiende eeuw bracht ook in dit opzicht een in¬grijpende wending. Deze Reformatie betekende tegelijk reformatie van het ambt van de diaken. Het kwam weer tot een kérkelijke dienst van barmhartigheid. De diaken werd de ambtsdrager aan wie de zorg voor armen en zieken werd toevertrouwd. Hoe hoog men zijn werk schatte, bleek daarin dat men geen verschil wilde tussen ouderlingen en diake¬nen ten aanzien van hun verkiezing tot en bevestiging in het ambt.
“De bevestiging van de diakenen vóór de gemeente was toen een vol¬strekt nieuwe figuur. Het was één van de bewijzen van de terugkeer tot het Woord van God” 2).
Een ander geluid beluisteren wij in het boek Ambten in de apostolische kerk, dat nog niet zo lang geleden verscheen van de hand van professor J. van Bruggen 3). Van Bruggen meent dat wij met de wijze waarop de diaken volgens het gereformeerd kerkrecht funktioneert, het bijbels spoor en het spoor van de oude christelijke kerk hebben verlaten.
Doordat de diaken een plaats heeft in de kerkeraad en door het werk op de 'brede' kerkeraad deel heeft aan de regering van de kerk, is er in de Gereformeerde Kerken geen ruimte voor de diakones, de vrouwelijke diaken.
Dat is een te betreuren ontwikkeling. Want het Nieuwe Testament laat ons zien hoezeer vrouwen in de apostolische kerk ingeschakeld werden bij allerlei hulpbetoon in de gemeente. Wanneer diakenen de plaats weer krijgen, die zij volgens het Nieuwe Testament hebben, dan zullen diaken en diakones op één spoor kunnen komen en zal het mogelijk zijn, om zusters via een 'kerkelijke aanwijzing' bij allerlei hulpwerk te betrek¬ken 4).
Van Bruggen meent dat de positie van de diaken binnen het gerefor¬meerd kerkrecht zou moeten worden herzien, niet alleen voor wat be¬treft zijn relatie tot de kerkeraad en het 'ambt', maar ook voor wat be¬treft zijn werkterrein 5). Hij stelt: “De diaken zou pas goed tot zijn recht komen in de gemeente, wanneer hij uit de kerkeraadsbank naast de preekstoel werd heengezonden om verblijf te houden onder de mensen en daar samen met de diakonessen werkzaam te zijn in de vele diensten door de opzieners aan hen opgedragen terwille van het lichaam van Christus” 6)

Wat professor van Bruggen schrijft, geeft aanleiding ons nader te bezin¬nen op het ambt en de positie van de diaken in de gemeente van Chris¬tus. Heeft de diaken werkelijk een ambt, of moeten wij hem terugbren¬gen bij de vele hulpdiensten, die in de gemeente in opdracht van de ou¬derlingen (de kerkeraad) worden verricht? Zijn er argumenten waar¬mee de positie die hij in het gereformeerd kerkrecht inneemt, verdedigd kan worden?
Van Bruggen heeft onmiskenbaar een diskussie opgang willen brengen. Graag wil ik proberen aan die diskussie deel te nemen en zo mogelijk een bijdrage daarin te leveren.

Gegevens uit het Nieuwe Testament
Wie het Nieuwe Testament erop naleest, moet tot de slotsom komen dat nergens de instelling van een diakenambt wordt vermeld.
Altijd weer heeft men in de geschiedenis van de christelijke kerk voor de instelling van het diakenambt gewezen op Handelingen 6:1-7. 7). Maar deze opvatting is toch niet houdbaar. De 'zeven' die in Jeruzalem wor¬den verkozen en aangesteld, worden nergens diaken genoemd. De diaken komen wij zelfs in heel het boek Handelingen niet tegen 8).
Van Bruggen wijst terecht op de unieke plaats en taak van de gemeente te Jeruzalem: haar wondere gemeenschap was bestemd voor de export. God bracht menigten in Jeruzalem in zeer korte tijd bijeen, opdat het land en het buitenland door hen overspoeld zouden worden (vgl. Hand. 8:1-4). In deze gang naar buiten gingen de 'zeven' voor: Filippus, één van de zeven, verkondigt het evangelie te Samaria.
Van Bruggen ziet het ambt van de zeven verbonden met de unieke plaats van de kerk te Jeruzalem en acht hun taak dan ook onherhaal¬baar. Hij concludeert: “Hun taak is specifiek geweest: het bewaren van de gemeenschap der heiligen in Jeruzalem bij dreigende desintegratie in het leiden van deze gemeenschap op de weg van de verstrooiing over Ju¬dea en Samaria” 9).

De diaken vinden wij slechts op twee plaatsen in het Nieuwe Testament genoemd: Filippenzen 1:1 en 1 Timoteüs 3:8-13. In beide teksten gaat het noch over de instelling noch over de werkzaamheden van de diake¬nen. Filippenzen 1:1 noemt de diakenen slechts in verband met de op¬zieners, 1 Timotetis 3:8-13 zegt aan welke vereisten de diakenen moeten voldoen.

In de laatste tekst vinden wij mogelijk enkele kleine aanwijzingen met betrekking tot hun werkzaamheden. Paulus schrijft namelijk dat de dia¬kenen niet met twee tongen mogen spreken en niet uit mogen zijn op winstbejag. Het eerste kan er een aanwijzing voor zijn dat de diakenen in de huize van de gemeenteleden kwamen, het tweede dat zij omgingen met aardse goederen 10).
Willen wij iets meer van het werk van de diakenen op het spoor komen, dan zullen wij erop letten dat zij de opvallende naam 'diaken', letterlijk 'dienaar' dragen. Nu wordende woorden 'dienaar', 'dienst' en 'dienen' in het Nieuwe Testament in velerlei verband gebruikt 11). Opvallend is echter dat in Handelingen 6:2 het woord 'dienen' (diakonein) in verband met de 'tafels' gebezigd wordt. Deze 'tafels' hadden hun plaats in het dienstbetoon aan behoeftige broeders en zusters, waarover Lukas in Handelingen 2 en 4 vertelt 12). De 'zeven' krijgen een funktie met betrek¬king tot het 'bedienen der tafels' (vgl. vers 3: 'deze taak').
Onmiskenbaar krijgt het woord 'dienen' hier al een bijzondere toespit¬sing: het gaat om een dienen in verband met de hulpverlening aan broe¬ders en zusters.
Dit toegespitste gebruik van het woord 'dienen' en 'dienst' (diakonia) vinden wij ook in Handelingen 11:29, waar wij lezen dat de discipelen te Antiochie besloten dat elk van hen iets zou zenden tot ondersteuning (diakonia) van de broeders, die in Judea woonden.
Ook in de brieven van Paulus vinden wij dit woordgebruik. In 2 Korintiërs 8 noemt hij de kollekte voor de kerk te Jeruzalem het 'dienstbe¬toon' (diakonia) voor de heiligen. In 2 Korintiërs 9 typeert hij het hulp¬betoon van de Korintiërs kortweg als een 'dienst' (diakonia).
Geeft dit toegespitste gebruik van het woord 'dienst' ons geen aanlei¬ding, om ook in de benaming 'dienaren' (diakonoi) in Filippenzen 1:1 en 1 Timoteüs 3:8-13 een toegespitst woordgebruik aan te nemen? Het moet dan gaan om broeders die zich bijzonder bezighouden met hulpbe¬toon aan behoeftige broeders en zusters.

Er is echter nog iets waarop ik de aandacht in dit verband wil vestigen. In 1 Timoteüs 3:11 spreekt de apostel Paulus dadelijk nadat hij over de diakenen gehandeld heeft, over de 'vrouwen'. Het woordje 'hun' ont¬breekt in het Grieks. Van Bruggen heeft mijns inziens gelijk, wanneer hij stelt dat het niet om de vrouwen van de genoemde diakenen gaat, maar om vrouwen met een bepaalde opdracht in de gemeente 13). Hij voert ook argumenten aan om bij deze vrouwen te denken aan de door Paulus in 1 Timoteüs 5 besproken oudere weduwen 14)
Treffend is nu dat Paulus zo nadrukkelijk zegt dat van deze oudere we¬duwen getuigd moet kunnen worden dat zij kinderen grootgebracht hebben, gastvrijheid bewezen, de voeten van de heiligen gewassen, ver-drukten ondersteund en alle goed werk behartigd hebben (vgl. 1 Tim. 5:10).
Opvallend is ook dat de apostel wil dat jongere weduwen worden afge¬wezen, omdat het gevaar bestaat dat zij zich eraan wennen 'aan de hui¬zen rond te gaan, met praatjes'. Dit alles wijst erop dat de oudere wedu¬wen een taak ontvingen in het hulpbetoon aan hen, die in moeite ver¬keerden.
Maar dat geldt dan ook - wanneer wij de 'vrouwen' van 1 Timoteüs 3:11 met de oudere weduwen kunnen identificeren - voor deze 'vrouwen.
Dit ligt voor de hand, omdat Paulus na even over de 'vrouwen' gespro¬ken te hebben, weer rustig voortgaat met de diakenen (vgl. 1 Tim. 3:12). Zijn onderwijzing over de 'vrouwen' was blijkbaar niet storend, de apostel bleef bij zijn onderwerp.

Deze omstandigheid werpt naar mijn inzicht licht op wat de diakenen deden over wie Paulus zo uitvoerig spreekt. Zij moeten ook hun plaats gehad hebben in het hulpbetoon aan allen die in moeite verkeerden. 1 Timoteüs 3:8-13 wordt zo een eenheid: de apostel spreekt over broeders en over zusters, die zich bezig hielden met de diakonia als hulpverlening aan broeders en zusters in moeilijke omstandigheden.


Wanneer wij de vereisten waaraan diakenen en vrouwen blijkens 1 Ti¬moteüs3 moeten voldoen, nauwkeurig lezen, blijkt er een merkwaardig verschil. Evenals van de opziener wordt ook van de diaken geëist dat hij zijn kinderen en eigen huis 'goed bestiert'. Dit zegt Paulus niet van de 'vrouwen'! Wel zegt de apostel in 1 Timoteüs 5:10 dat van de oudere we¬duwe getuigd moet kunnen worden dat zij kinderen heeft 'grootge-bracht'.
Voor 'bestieren' gebruikt Paulus een woord (proistanai), dat elders in het Nieuwe Testament voor de leiding van de gemeente wordt gebezigd (vgl. Rom. 12:8; 1 Tess. 5:12; 1 Tim. 5:17).
Wijst deze speciale vereiste voor de diakenen er niet op dat zij een lei¬dende plaats in het werk van de hulpverlening hadden?

Van Bruggen wil de diaken van vandaag weer terugbrengen naar de plaats, die hij in de apostolische kerk innam: tussen de vele helpers en helpsters. Volgens hem ziet het 'nieuwtestamentisch patroon' er zó uit:
“De raad van de oudsten was ingesteld door de apostelen of hun mede¬werkers: diakenen en diakonessen werden later aangesteld waar dit no¬dig was. Hun diensten kunnen heel uiteenlopend zijn. Beslissend is dat zij voor een bepaalde hulpdienst een kerkelijke aanwijzing ontvingen en dat zij hun werk hebben te verrichten met dezelfde waardigheid waar¬mee de opzieners de gemeente leiden” 15)
Navolging van dit nieuwtestamentisch patroon zou er toe moeten leiden de diaken en de diakones op één spoor te plaatsen. Daartoe zou binnen het gereformeerd kerkrecht de positie van de diaken herzien moeten
worden 16).
Ik kan deze visie niet delen. Mijns inziens zit er toch meer onderscheid tussen de diaken en de vrouwelijke helper dan Van Bruggen meent.
Ik wijs ten eerste op het feit dat Paulus in Filippenzen 1:1 de diakenen expressis verbis na de opzieners noemt 17). Hij onderscheidt hen in de aanhef van zijn brief duidelijk van de 'heiligen', die te Filippi wonen, dus ook van mogelijke vrouwelijke helpers in de gemeente! Wij krijgen uit Filippenzen 1:1 sterk de indruk dat de apostel naast de gemeenteleden (de heiligen) de ámbtsdragers noemt: de opzieners en diakenen.
Ik wijs vervolgens op het feit dat Paulus van de diakenen in 1 Timoteüs 3 vraagt dat zij hun kinderen en huis 'goed bestieren', een vereiste die de apostel niet noemt bij de 'vrouwen'.
Ook valt het op dat Paulus wel de 'helpers' (om met Van Bruggen te spreken) diakenen noemt, maar de 'helpsters' aanduidt als de 'vrou¬wen'.

Maar hoe zit het dan met Febe, die door Paulus in Romeinen 16:1 een dienares (diakonos) van de gemeente te Kenchreae wordt genoemd? Van Bruggen meent dat wij het woord diakonos hier moeten vertalen door diakones 18).
Ik meen dat deze noodzaak er niet is. Het woord 'dienaar' wordt in het Nieuwe Testament ruimer gebruikt (vgl. Rom. 15:16; 2 Kor. 4:5; Kol. 1:7). Paulus noemt zich een dienaar van de geméénte (vgl. Kol. 1:25), zonder dat wij moeten vertalen: diaken. Opvallend is ook dat de oudste christelijke literatuur nergens de vrouwen of weduwen diakonessen noemt 19).

Dat de 'weduwen' waarover Paulus spreekt in 1 Timoteüs 5:9 een bij¬zondere plaats in de gemeente hebben ingenomen, lijkt mij buiten kijf. De vereisten, die de apostel noemt in 1 Timoteüs 5 wijzen op een inge-schakeld zijn in hulpverlening. Mogelijk werden zij op een lijst geplaatst en min of meer aangesteld 20. Maar naar mijn overtuiging wettigt dit alles nog niet de conclusie dat wij hen met de diakenen op één lijn mogen stel¬len.

Gegevens uit de oudste christelijke literatuur
Dat er meer onderscheid is geweest tussen de diakenen en de vrouwe¬lijke helpsters dan professor van Bruggen meent, wordt mijns inziens krachtig bevestigd door gegevens uit de oudste christelijke literatuur.
Allereerst wijs ik op De leer der twaalf apostelen (Didachè), een geschrift waarvan vele onderzoekers menen dat het stamt uit de tweede helft van de eerste eeuw, een periode waarin nog apostelen in leven waren en rondtrokken.
Uit dit geschrift blijkt dat door de gemeente verkozen ambtsdragers de plaats in gaan nemen van de charismatische profeten en leraars. De ge¬meente moet daaraan wennen, maar de auteur bindt haar op het hart:
“Kiest daarom voor uzelf opzieners en diakenen, die de Heer waardig zijn, zachtmoedige mannen, niet geldzuchtig, waarheidslievend en be¬proefd.
Zij toch verrichten de dienst voor u en die dienst is die van profeten en leraars. Minacht hen niet, want ze zijn geëerd bij u evenals de profeten en leraren” 21
Uit dit citaat blijkt dat ook de diakenen beschouwd worden als ámbts¬dragers: zij worden niet door de ópzieners als helpers aangewezen, maar door de geméénte verkozen! Zij delen met de opzieners in de eer, die de gemeente ook de charismatische ambtsdragers, de profeten en leraars, toekent.
Een tweede geschrift waarop ik de aandacht wil vestigen is het geschrift Herder van Hermas, dat zeer waarschijnlijk nog afkomstig is uit de tijd van de apostelen. In een van de visioenen, die dit geschrift bevat, is sprake van “de apostelen en opzieners en leraars en diakenen” 22). Het ene lidwoord voor de vier aanduidingen doet denken aan één groep ambtsdragers, waartoe ook de diakenen gerekend worden.
Belangrijk is ook dat wij uit een ander-visioen kunnen opmaken dat de diakenen voor weduwen en wezen te zorgen hebben. Wij lezen name¬lijk: “Die met vlekken zijnde diakenen die op een slechte manier diaken zijn geweest en die weduwen en wezen van hun levensonderhoud heb¬ben beroofd en die zichzelf verrijkt hebben met de hulp die ze kregen om te helpen” 23)
Een derde geschrift dat hier genoemd moet worden, is De eerste brief van Clemens aan de Korintiërs, geschreven aan het eind van de eerste eeuw.
In de gemeente van Korinte waren sommigen in opstand tegen de ambtsdragers gekomen. De schrijver van deze brief bindt de gemeente op het hart dat het in de ambten van de opzieners en diakenen gaat om een Goddelijke orde. De apostelen stelden betrouwbare mensen als op¬zieners en diakenen aan over hen die zouden geloven. Zij gaven de aan--wijzing dat andere “beproefde mannen” hun dienst moesten overnemen als zij stierven.
De schrijver concludeert dan ook: “Wij zijn van mening dat het niet ge¬rechtvaardigd is mensen uit hun dienst te zetten die door dezen of later door andere aanzienlijke mannen, met instemming van de hele gemeen¬te, zijn aangesteld.......” 24)
In deze brief van Clemens worden de diakenen heel duidelijk als ambts¬dragers gezien. Wat dat betreft staan zij op één lijn met de opzieners. Ook van de diakenen geldt dat zij met instemming van de hele gemeente zijn aangesteld.

Van Bruggen wijst er in een latere publikatie op dat de 'dienaren' waar¬over in Didachè en 1 Clemens gesproken wordt, tot hetzélfde werk als de opzieners geroepen zijn. Hij meent dan ook dat wij het woord 'dienaren' (diakonoi) moeten opvatten als een nadere aanduiding van de 'opzie¬ners': de oudsten heten ook wel 'opzieners en dienaars' 25).
Ik stem Van Bruggen graag toe dat uit Didachè en 1 Clemens blijkt dat de diakonoj heel dicht bij het werk van de 'leraars' en 'opzieners' waren betrokken. Het is heel goed mogelijk dat deze omstandigheid teruggaat op de 'zeven' van Handelingen 6, waarvan er zeker twee (Stefanus en Fi¬lippus) meer deden dan leiding geven aan de hulpverlening. Maar dat wij hieruit de conclusie moeten trekken dat het woord diakonoi slechts een nadere aanduiding voor de 'opzieners' in de genoemde geschriften is, kan ik met verschillende geleerden Van Bruggen nog niet nazeggen 26). Het werk van de diaken is in de eerste eeuwen blijkbaar breder geweest dan dat van de diaken in het gereformeerde kerkrecht.

Van Bruggen meent in zijn latere publikatie ook dat het ene lidwoord voor “apostelen en opzieners en leraars en diakenen” in de geciteerde plaats uit Herder van Hermas niet tot de conclusie mag leiden dat de dia¬kenen hier afzonderlijk als ambtsdragers worden genoemd: “Eén lidwoord voor meer aanduidingen wijst hier echter op een breedsprakige aanduiding van dezélfde mensen” 27).
Ik kan dit gevoelen niet delen. Is het hier werkelijk breedsprakig? Valt bijvoorbeeld de leraar geheel samen met de opziener? Zijn niet reeds de leraren in het Nieuwe Testament broeders met een eigen dienst (vgl. 1 Kor. 12:28; 1 Kor. 14:6)? En heeft ook de leraar in bijvoorbeeld Dida¬chè niet iets eigens?
Van Bruggen heeft gelijk wanneer hij zegt dat in Sim. IX 27 de diakenen niet genoemd worden in tegenstelling tot wat wij lezen in Sim. IX 26. Maar kan Hermas op deze plaats niet aanduiden dat de diakenen hun werk deden onder leiding en verantwoordelijkheid van de opzieners? Hermas zegt dat de opzieners aan het hoofd van de kerk staan. Droegen zij dan ook niet de laatste verantwoordelijkheid voor de hulp aan nood¬lijdenden en weduwen?

Wanneer professor van Bruggen gelijk zou hebben met zijn interpretatie van de gegevens in Didache, 1 Clemens en de Herder van Hermas, dan wordt het toch wel heel moeilijk een verklaring te vinden voor het feit dat in de brieven van Ignatius (uit het begin van de tweede eeuw!) de diaken heel duidelijk als afzonderlijke kerkelijke ambtsdrager naar voren komt. Juist de gegevens in de brieven van Ignatius onderstrepen dat de oudste christelijke kerk de diaken als kerkelijk ambtsdrager heeft ge¬kend.
Ignatius noemt expliciet de diaken Zotion (Magn. II). Nadat hij heeft aangedrongen op onderwerping aan 'het college van oudsten' zegt Igna¬tius over de diakenen: “Ook degenen die diakenen zijn van de geheime-nissen van Jezus Christus moeten alle mensen in alles tegemoet komen. Zij voorzien immers niet van spijs en drank maar zij zijn dienaren van de gemeente van God” (TraIl. II). Ignatius spreekt over “de bisschop, zijn oudsten en de diakenen, dienaar de wil van Jezus Christus zijn aangewe¬zen” (Filad. 1) en over Philo “de diaken uit Cilicië” (Fitad. XI). De ge¬meente wordt opgeroepen eerbied te hebben voor de diakenen, zoals zij dat heeft voor het gebod van God (Smyrn. VIII).

Van Bruggen heeft gelijk wanneer hij benadrukt dat in de apostolische kerk vele vrouwen als helpsters optraden. Wij noemden Febe uit Kench¬reae reeds. De brief van stadhouder Plinius uit het begin van de tweede eeuw vermeldt het lijden van twee slavinnen, die door de christenen 'dienaressen' genoemd worden 28). Hermas noemt een zekere Grapte die de weduwen en wezen zal vermanen (Vis. 114,3). Ignatius doet de groeten aan “de ongehuwden, die weduwen worden genoemd” (Smyrn. XIII).
Maar het opvallende is dat deze vrouwelijke helpsters in de geschriften die ik noemde, nooit in verband met de opzieners en diakenen ter sprake komen en in ~ adem met hen worden vermeld!
Dat bevestigt mijn overtuiging dat de diakenen en de helpsters in de apostolische kerk niet op ëën spoor gesteld kunnen worden. De diake¬nen werden op gelijke wijze als de Opzieners tot hun taak geroepen -door verkiezing van de gemeente, met haar instemming. Dit alles lezen wij niet van de vrouwen!

Ontwikkeling
In de tweede eeuw zet zich een ontwikkeling in, waarbij de diaken al meer de dienaar van de bisschop word 29)..
De bisschop beheert de diakonale gelden en kerkelijke goederen, de diaken fungeert als zijn hand. Tegelijk ontvangt de diaken een groot aandeel in de liturgische vieringen als assistent van de bisschop 30).
In de vierde eeuw wordt de diaken een liturgische funktionaris, waarbij zijn taak te zorgen voor de hulpbehoevenden in de gemeente al meer uit het zicht raakt.
Typerend voor deze ontwikkeling is de opvatting van Ambrosius van Milaan die de plichten van de diaken tot het liturgische beperkt 31).
In de tijd van de volksverhuizingen verdwijnt de diakonale barmhartig¬heidsdienst van de kerk. De gemeente en de diaken komen dan buiten spel te staan.
In de Middeleeuwen nemen burgerlijke overheden en met name de kloosterorden de zorg voor hulpbehoevenden van de kerk over.

De grote Reformatie van de zestiende eeuw bracht ook hier een ingrij¬pende wending. De reformatoren lieten het Woord van God weer spreken. Uit dat Woord ontdekte men dat het de taak van de kerk is te zor¬gen voor allen die in moeite zijn. Verschillende reformatoren bepleitten dan ook een eerherstel van de diaken. De diaken die eeuwenlang de as¬sistent van de bisschop is geweest, wordt weer teruggegeven aan zijn ei-genlijke werk: het zorgdragen voor zieken en armen.
Onder de reformatoren is Bucer, de reformator van Straatsburg, de eer¬ste geweest, die de diaken zijn Schriftuurlijke opdracht heeft teruggegeven 32). Zijn visie op het diakenambt heeft grote invloed geoefend. Bucer zag het diakenambt voluit als een kérkelijk ambt, funktionerend binnen de gemeenschap van het lichaam van Christus ¬33).
Opvallend is dat Bucer de diakenen ook ziet als helpers van de opzie¬ners. De diakenen moeten dezen bijstaan in de uitoefening van hun ambt en de handhaving van de kerkelijke tucht. Ook moeten de diake-nen bij de viering van het avondmaal de beker uitreiken 34). Bucer moti¬veert dit door te verwijzen naar de praktijk van de oude kerk: zij ver¬trouwde de diakenen voor een deel ook de bediening van de leer en van de sacramenten toe, om het gezag van de diakenen te versterken 35)
Deze motivering houden wij goed vast, zij zal nog nader onze aandacht hebben, wanneer wij handelen over de positie van de diaken in onze hui¬dige Kerkorde.
In het voetspoor van Bucer heeft ook Calvijn zich krachtig ingezet voor de dienst van de diakenen 36). Op grond van de Schrift bepleitte hij zelfs twee soorten van diakenen: ambtsdragers die de aalmoezen beheren én ambtsdragers die de armen verzorgen en zich bekommeren om de zie¬ken 37).
Het Formulier van bevestiging der ouderlingen en diakenen, dat eeu¬weniang in de gereformeerde kerken in ons land gebruikt is, laat nog heel duidelijk de invloed van Bucer en Calvijn zien 38).

De diaken en de kerkeraad
Professor van Bruggen ziet terecht de oudsten of opzieners 39) als de lei¬ders en voorgangers van de plaatselijke gemeente. Zij hebben de op¬dracht om de gemeente van God te weiden (Hand. 20:28). Zij moeten voor de gemeente van God zorgen (1 Tim. 3:5). Zij worden aange¬spoord de kudde van God te hoeden (1 Petr. 5:2). Ook waken zij over de zielen (Hebr. 13:17). Zij zijn beheerders van het huis van God (Tit. 1:7). Zij geven goede leiding (1 Tim 5:17). Deze oudsten vormen samen een college of raad, zoals blijkt uit 1 Timotheüs 4: 14 40).
Dit alles lezen wij in het Nieuwe Testament niet van de diaken.
Er is in de Nederlandse gereformeerde kerken aanvankelijk enige onze¬kerheid geweest ten aanzien van het lidmaatschap van de diaken van de kerkeraad. Het Convent van Wezel (1568) ziet de kerkeraad bestaan uit ouderlingen en dienaren 41). De synode van Emden (1571) rekent ook de 'diaconen' tot de consistorie 42). In de kerkenordening van de provinciale synode van Dordrecht (1574) vormen de dienaar en de ouderlingen de consistorie in engere zin 43).
Artikel 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: “Wij gelo¬ven... dat er ook Opzieners en Diakenen (moeten) zijn, om met de her¬ders te zijn als de raad der Kerk”, terwijl de Dordtse Kerkenordening voorschrijft in artikel 37: “In alle kerken zal een kerkeraad zijn, be¬staande uit de dienaren des Woords en de ouderlingen”.
Bekend is dat men vaak discrepantie gezien heeft tussen de Geloofs¬belijdenis en de Dordtse Kerkenordening, wanneer het gaat om de posi¬tie van de diakenen ten opzichte van de kerkeraad 44).

Mijns inziens heeft J. Kamphuis toch wel overtuigend aangetoond dat er slechts van een vermeende discrepantie sprake is. Kamphuis komt tot de conclusie: “De Belijdenis spreekt uit dat de kerkregering in algemene zin als bediening van de regering van Christus door Zijn woord college¬gewijs, collegiaal heeft te geschieden zónder zich over iedere plaats, taak en recht in deze collegiale samenwerking uit te spreken en ook zon¬der nadere uitwerking van de wijze waarop het regeercollege-in- alge¬mene- zin functioneert naar de roeping van Christus voor ieder ambt af¬zonderlijk. De Kerkenordening spreekt over het regeercollege in spe-ciale zin - het college dat met opzicht en tucht is belast, en noemt dat kerkeraad. Evenmin als Calvijn in zijn soepele spraakgebruik met be¬trekking tot de regering der kerk is te bedillen of in een harnas is te dwin¬gen, is de Belijdenis en Kerkenordening het in de hantering van de term kerkeraad 45).

In de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken, zoals deze vastgesteld werd door de generale synode van Groningen-Zuid (1978), bestaat de kerkeraad blijkens artikel 36 uit de predikant(en) en de ouderlingen. Achter deze formulering zit het streven recht te doen aan wat het Nieuwe Testament zegt over de taak van de ouderlingen 46). Het college van de ouderlingen moet als zodanig zichtbaar blijven in de kerkorde en het behoort een naam te houden, die beantwoordt aan de Schriftuurlijke plaats, die het heeft in de gemeente van Christus.
Artikel 36 van de Kerkorde bepaalt echter ook dat deze kerkeraad re¬gelmatig zal vergaderen met de diakenen. Deze vergadering zal de zaken behandelen die de Kerkorde daarvoor aanwijst, de materiële aangele¬genheden van de kerk, het financieel beheer en alles wat naar het oor¬deel van de kerkeraad tot het algemeen beleid gerekend kan worden.
Opvallend is dat de Kerkorde in de artikelen 11,14,15,17 en 20 ook deze vergadering aanduidt als 'kerkeraad'. Mijns inziens vindt het spreken over 'smalle' en 'brede' kerkeraad een grond in onze Kerkorde, die het woord 'kerkeraad' in tweeërlei zin gebruikt.

P. Deddens heeft gelijk wanneer hij stelt dat het deelnemen van diake¬nen aan het werk van de brede kerkeraad niet terug te voeren is op de Schrift 47). Maar ik deel zijn conclusie niet dat daarom de huidige positie van de diakenen gewijzigd dient te worden.
C. Trimp wijst er terecht op dat wij het ons zo vertrouwde beeld van de drie ambten (predikant, ouderling, diaken) niet zonder meer kunnen of mogen terug-lezen in het Nieuwe Testament 48). De plaats en de taak van deze drie ambten in onze Kerkorde kunnen niet losgezien worden van wat de reformatoren (met name Bucer en Calvijn) daarover gezegd heb¬ben 49). In het huidige funktioneren van deze ambten hebben wij onmis¬kenbaar te maken met beslissingen, die men in de zestiende eeuw geno¬men heeft 50).
Ik noem als voorbeeld wat de Kerkorde zegt over het ambt van de die¬naar des Woords en dat van de ouderling.
In het Nieuwe Testament vinden wij nog niet het onderscheid tussen de leer- en regeerouderlingen, zoals onze bevestigingsformulieren en ook onze Kerkorde dit kennen 51). In 1 Timoteüs 3 wordt van elke opziener geëist dat hij bekwaam is om te leren.
Het Nieuwe Testament geeft geen kerkordelijke blauwdruk voor alle eeuwen 52).
Dat de kerken van de Reformatie de publieke bediening van het Woord aan speciale ambtsdragers hebben toevertrouwd, is een keus geweest, een keus, die voortvloeide uit de hoge belang dat men aan de prediking toekende.
Ook ten aanzien van de positie van de diaken heeft men een keus ge¬daan. De Dordtse Kerkenordening, die eeuwen in de gereformeerde kerken gelding heeft gehad, geeft hem geen plaats in de kerkeraad als college dat belast is met opzicht en tucht, maar betrekt de diaken wel bij de 'algemene regering' van de kerk, zoals Calvijn en de Nederlandse Geloofsbelijdenis daarover spreken 53).
Dit betrokken zijn van de diaken bij de 'algemene regering' van de ge¬meente is geen recht dat de diaken ontleent aan zijn ambtelijke opdracht als zodanig.
J. Kamphuis zegt terecht dat het hier gaat om een door de kerken ver¬leende bevoegdheid.
“De kerken hebben bevoegd gemaakt door deze opdracht te verstrekken” 54). Kamphuis noemt als motief de opbouw van het lichaam van Christus. Om die opbouw gaat het, ook wanneer het beroepen van een predikant, de verkiezing van ambtsdragers, de materieële aangelegenhe¬den en het financieel beheer aan de orde zijn!

Uit Handelingen 6 leren wij dat zij die de dienst van de barmhartigheid behartigen, mannen moeten zijn 'vol van Geest en wijsheid'. Wanneer de kerken de diakenen betrekken bij de 'algemene regering', schakelen zij deze door Christus geschonken wijsheid in tot opbouw van de ge¬meente. Ik zie in dit handelen van de kerken eerbiedige dankbaarheid voor wat Christus geeft naar voren komen.
Ik voeg daar nog iets aan toe. Wij hoorden reeds dat Bucer, de reforma¬tor van Straatsburg, de diakenen voor een deel ook de bediening van de leer en van de sacramenten wilde toevertrouwen om hun gezag te versterken. Bucer ging hierin wel erg ver. Maar zijn oogmerk verdient aan¬dacht.
In de zestiende en zeventiende eeuw zagen velen het diakenambt nog te weinig als een kérkelijk ambt. De gemeente had er moeite mee, maar vooral de magistraten. De laatsten wilden de diakenen maar al te graag tot half-burgerlijke ambtenaren maken.
Kan een achtergrond van de bepalingen van de oude kerkenordeningen ook niet zijn geweest, dat men de diakenen wilde beschermen tegen ver¬burgerlijking en hun gezag bij de gemeente en de overheden wilde ver-sterken door hen te betrekken bij het werk van de brede kerkeraad?
Onze Kerkorde zegt in artikel 40 dat de diakenen verantwoording van hun beleid en beheer zullen doen aan de kerkeraad. Deze bepaling is in overeenstemming met wat het Nieuwe Testament zegt over de taak van de oudsten.
Zij hebben het opzicht over héél de gemeente, dus ook over het werk van de diakenen. Zij moeten voor de gemeente van God zorgen (1 Tim. 3:5). Zij zijn beheerders van het huis van God (Tit. 1:7).

De diakenen en het diakonaat van de gemeente
Het bevestigingsformulier, zoals wij dit vinden in het Gereformeerd Kerkboek, begint met te spreken over het diakonaat van de geméénte. Christus heeft diakenen aan zijn gemeente geschonken terwille van het dienstbetoon van de broeders en zusters onderling.
Ik meen dat dit een juist uitgangspunt is. Het boek Handelingen toont ons in zijn eerste hoofdstukken heel duidelijk dit diakonaat van de ge¬meente.
Wij lezen in Handelingen 2:45: “en telkens waren er, die hun bezittin¬gen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden”. Er kwam nog geen ambtsdrager aan te pas. Eerst in hoofdstuk 4 horen wij dat de apostelen een bepaalde rol speelden in dit onderlinge dienstbetoon 55).
De gemeente zelf is tot helpen geroepen. Zij is het lichaam van Christus waarvan de leden voor elkaar hebben te zorgen (1 Kor. 12:25). Zij moet zich steeds het woord van de Here Jezus herinneren: “Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad” (Joh.15:13) 56). De Heer ging haar voorop de weg van het dienen (vgl. Mark. 10:45). De ge¬meente heeft haar Heer op deze weg te volgen (vgl. Joh. 13:14,15). De dienst van Christus is de bron én de norm van haar dienstbetoon.
Zo wordt de gemeente in het Nieuwe Testament opgeroepen om goed te doen (Gal. 6:10), om overvloedig te zijn in de liefde tot elkaar (1 Tess. 3:12), om herbergzaam te zijn (Hebr. 13:2), om de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet te vergeten (Hebr. 13:16)
Dit onderwijs wordt door de apostel Petrus samengevat, wanneer hij vermaant: “Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ont¬vangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods” (1 Petr. 4:10).
Diakenen hebben niet het monopolie van de hulpverlening. Zij zijn er niet om de gemeente inaktief te maken. Integendeel, zij zijn er, om-zo¬als het bevestigingsformulier zegt - te zorgen voor de goede voortgang van het onderling dienstbetoon in de gemeente.
Paulus noemt de ambtsdragers in Efeziërs 4:16 'geledingen'. De apostel gebruikt in het Grieks een opmerkelijk woord, dat als medische term de pezen van het lichaam aanduidt 57. In Paulus' dagen dacht men dat de pe¬zen de verschillende delen van het lichaam bijeenhielden. Wanneer de apostel de ambtsdragers vergelijkt met pezen, doelt hij on¬miskenbaar op de samenbindende funktie van hen. Zij coôrdineren en stimuleren, zij zorgen ervoor dat de gemeente werkelijk als een lichaam funktioneert.
Dat mogen ook diakenen niet vergeten! Ook zij zijn er om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon (vgl. Ef. 4:12). Zij funktioneren goed, wanneer zij doén funktioneren.
Er was in de gemeente van Jeruzalem een 'dagelijkse verzorging' 55. De gemeente was diakonaal druk bezig. Eerst toen er stagnatie in deze da¬gelijkse verzorging optrad kwam het tot aanstelling van de 'zeven', die zorg moesten dragen voor de goede voortgang van dit dienstbetoon. Er moeten in de gemeente van Christus vele helpers en helpsters zijn. Het is de taak van de diakenen deze helpers en helpsters te motiveren, te aktiveren en te stimuleren, waarbij zij wegen moeten wijzen en ogen moeten openen 59). Want de kerk van Christus is het huis van de liefde waar niemand leeft voor zichzelf, maar ieder zich aangesproken weet door het apostolisch woord: “Dient elkander door de liefde” (Gal. 5:13).
Bij alle diakonaat van de gemeente zal er ook hulp door diakenen gebo¬den moeten worden. C. Trimp heeft gelijk wanneer hij opmerkt dat dia¬kenen in deze bedeling nooit overbodig zullen worden 60).

Slotopmerkin gen
Het zal duidelijk zijn dat ik de visie van professor van Bruggen niet deel, wanneer hij de diaken uit de kerkeraadsbank weg wil zenden, om hem verblijf te laten houden onder de vele helpers en helpsters, die de oud-sten kunnen aanstellen voor de vele diensten in de gemeente. Mijns in¬ziens zitten de diakenen en de helpsters in de apostolische kerk niet op één spoor.
De gegevens uit het Nieuwe Testament en uit de oudste christelijke lite¬ratuur maken duidelijk dat er meer onderscheid tussen diakenen en helpsters geweest is dan Van Bruggen meent.
Ik ben van oordeel dat de diaken in de apostolische kerk wel degelijk een ambt heeft bekleed: zij werden door de gemeente tot hun dienst ver¬kozen en met instemming van de gemeente aangesteld 61). Het getuigenis van het oude geschrift De leer der twaalf apostelen is hier veelzeggend: de gemeente wordt opgewekt opzieners en diakenen voor zichzelf te kie¬zen.
En De eerste brief van Clemens spreekt in verband met opzieners en dia¬kenen over mannen, die “met instemming van de hele gemeente” zijn aangesteld.
Dit lezen wij van de helpsters niet!
Mijns inziens is het beeld van de apostolische kerk het volgende: er werd in de gemeente veel geholpen, door 'jonge mannen' (Hand. 5:6), door 'discipelinnen' (Hand. 9:36), door 'weduwen' (Hand. 6:1; 1 Tim. 5:9). De laatsten.werden mogelijk aangesteld voor speciale taken. Maar de diakenen gaven als ambtsdragers aan dit alles leiding (vgl. de vereiste van het 'goed bestieren' in 1 Tim. 3:12).
Wijst ook wat wij lezen in Handelingen 6 niet in deze richting? Hoewel 'weduwen' helpen bij de dagelijkse verzorging, worden er in Jeruzalem zeven ambtsdragers (broeders!) aangesteld, die de leiding krijgen over het barmhartigheidswerk.
Komt dit beeld ook niet overeen met de positie van de vrouw in de ge¬meente van Christus (vgl. 1 Kor. 14:34)?
Van Bruggen wil beslist niet de vrouw toelaten tot het diakenambt, zoals het gereformeerd kerkrecht dit kent. Ik wijs daar met nadruk op. Maar als ik hem goed begrijp, wil hij wel de positie van de diaken zodanig wij¬zigen (met name ten aanzien van de 'algemene regering' van de kerk), dat diakonessen hun intrede kunnen doen 62).
Ik meen dat wij deze weg niet moeten opgaan.
Zeker, de christelijke kerk heeft in haar geschiedenis het ambt van dia¬kones gekend 63). Het Convent van Wezel (1568) meende dat vrouwen van beproefd geloof en eerbare levenswandel en van gevorderde leeftijd tot het diakenambt aangenomen konden worden 64). Maar de gerefor¬meerde kerken in ons land zijn op deze weg toch niet voortgegaan 65).
Mijns inziens terecht: in de apostolische kerk werd de leiding van het hulpverleningswerk aan mannen toevertrouwd. Zij bedienden het dia¬kenambt.
Mijn conclusie is dat herziening van het gereformeerde kerkrecht niet nodig is. Het ambt en de positie van de diaken is in onze Kerkorde uitne¬mend omschreven.
Deze omschrijving doet recht aan:
1. Het onderscheid dat er in de apostolische kerk is geweest tussen dia¬kenen en helpers(helpsters.
2. De eenheid van de ambtelijke dienst, zoals het Nieuwe Testament daarvan getuigt~.
3. De waardigheid van de diaken als kerkelijk ambtsdrager.
4. De mogelijkheid om de wijsheid van met de Geest vervulde mannen te benutten bij de 'algemene regering' van de kerk tot opbouw van de ge¬meente.


Uit: A.N. Hendriks, Met het oog op de gemeente, Kampen, Uitg. Van den Berg, 1991, p. 81-105


Aantekeningen
1) Dienst, 1985. Professor J. van Bruggen reageerde op mijn oorspronkelijke ar¬tikel met een tweetal artikelen in De Reformatie, jrg.61, p.255-257; 278-281. Ik antwoordde meteen artikel in De Reformatie, jrg.61, p.408-410. In onder¬staande bijdrage heb ik een en ander verwerkt.

2) C. Trimp, Zorgen voor de gemeente, Kampen 1982, p.149 e.v.

2) C. Trimp, a.w., p.152.

3) J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, Kampen 1984.

4) J. van Bruggen, a.w., p.117. Van Bruggen zegt: “Daarvoor is geen bevesti¬gingsformulier nodig, wel een officiële aanwijzing en toetsing” (t.a.p.).

5) J. van Bruggen, a.w., p.117.

6) J. van Bruggen, a.w., p.117.

7) J. Hoek, Het diakenambt volgens Schrift en Belijdenis, in: Diaconaal Handboek, Rotterdam 1929, p. 85 noot 2 vermeldt vele namen. Vgl. voor deze kwestie ook A.N. Hendriks, Eenheid in de ambtelijke hulpverlening, in: Tot een handen een voet, Groningen 1968, p.10,11.

8) In Hand. 11:30 lezen wij dat de ondersteuning van de discipelen te Antiochie aan de oudsten van Jeruzalem wordt gezonden. In Hand. 14:23 wordt vermeld dat Paulus en Barnabas in elke gemeente oudsten aanstelden. In Hand. 15:4 worden opnieuw de oudsten genoemd.

9) J.van Bruggen, a.w., p.75.

10) Vgl. H.W. Beijer, diakoneo, diakonia, diakonos, in: Theologisches Wôrter¬buch zum Neuen Testament, II, ed. G. Kittel, Stuttgart (1950), p.90.

11) Vgl. H.W. Beijer, a.w., p.81 e.v.

12) Vgl. J.P. Versteeg, Het avondmaal volgens het Nieuwe Testament, in: Bij brood en beker, red. W. van 't Spijker e.a., Goudriaan 1980, p.9,10. Vgl. ook J. van Bruggen, a.w., p.70.

13) J. van Bruggen, a.w., p.112,113. Het herhaalde 'evenzo' in 1 Tim. 3:11 duidt erop dat Paulus de aandacht richt op ándere personen dan de reeds genoemde diakenen.

14) J. van Bruggen, a.w., p.136,137.

15) J. van Bruggen, a.w., p.117.

16) J. van Bruggen, a.w., p.117.

17) H.M. Matter, De brief aan de Philippenzen en de brief aan Philémon, Kampen, 1965, merkt op: “Voor episkopois ontbreekt het artikel; d.w.z. dat kai diako¬nois niet epexegetisch kan zijn bij episkopois. Het zijn twee ambten, waarbij het tweede ondergeschikt is aan het eerste” (p.16).

18) Vgl. J. van Bruggen, Diaken en diakones in discussie, De Reformatie, jrg.61, p.255.

19) Vgl. W. Schneemelcher, Der diakonische Dienst in der alten Kirche, in: H. Krimm, Das diakonische Amt der Kirche, Stuttgart 19652, p.72: “Es gibt für die apostolische und nachapostolische Zeit kein Amt einer ordinierten Diako¬nisse”. Diakonessen als kerkelijke ambtsdragers worden eerst in de zgn. Di¬daskalta genoemd, een geschrift vermoedelijk uit het begin van de derde eeuw. Vgl. L. Zscharnack, Der Dienst der Frau in den ersten Jahrhanderten der christlichen Kirche, Göttingen 1902, p.1 12.

20) J. van Bruggen, a.w., p.130 zegt: “Het werkwoord katalegesthai wordt ge¬bruikt voor het 'bijeentellen, op lijsten noteren' van recruten”.

21) Ik citeer uit A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders, I1, Kampen (1981), p.255.

22) A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders, II, Kampen (1983), p.148. Voor de Griekse tekst, vgl. H. Lietzmann, Zur altkirchlichen Verfassungsgeschichte, in: Das kirchlicheAmt im Neuen Testament, ed. K. Kertelge, Darmstadt 1977, p.129.

23) A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders, II, p.224, 225.

24) A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders, II, p.187.

25) J. van Bruggen, Diaken en kerkeraad in de oudste gemeenten, De Reforma¬tie, jrg. 61, p. 278, 288.

26) Vgl. bijv. H.W. Beijer, a.w., p.92,93; A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders, I, p.186 en p. 255.

27) J. van Bruggen, Diaken en kerkeraad in de oudste gemeenten, p. 279.

28) Vgl. A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders, I, p. 138. J. Forget, Diaconesses, in: Dictionnaire de Théologie Catholique, IV, Paris 1939, zegt n.a.v. de passage bij Plinius: “A ce témoignage, du commencement du IIe siècle, on ne peut en ajouter un autre, qui lui serait postérieur d'une cinquantaine d' années” (k.688). J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, merkt op: “Hoewel het niet eenvoudig is om te bepalen welke positie deze vrouwen nu precies innamen, staat in ieder geval vast dat zij een aparte plaats hadden” (p.109).

¬29) Voor een overzicht van de ontwikkeling, vgl. W. Schneemelcher, a. w., p.73 e.v.;
P. Deddens, De positie van de Diakenen ten aanzien van den Kerkeraad, Rotterdam (1948),p.6;
C. Trimp, a.w., p.182 e.v.

30) De liturgische taken van de diaken beschrijft H. Krimm, Der Diakonat in der frühkathohschen Kirche, in: H. Krimm, a.w., p.112 e.v.

31) Vgl. H. Krimm, a.w., p.117.

32) W. Bernoulli, Von der reformierten Diakonie der Reformationszeit, in: H. Krimm, a. w. p.209: “Für die Lehre von der Kirche und für das Diakonen¬amt nimmt Martin Butzer (1491-1551) eine SchIusselstellung ein, auch wenn er besonderer Umstände wegen selher wenig zu erreichen vermochte. Er hat auf a Lasco und auf Calvin einen entscheidenen Einflusz ausgeübt...”.

33) Vgl. W. van 't Spijker, De ambten bij Manin Bucer, Kampen 1970, p.404: “Het diakenambt functioneert binnen de gemeenschap van het Lichaam van Christus. Het is een exponent van de gemeenschap en tegelijk componeert het de koinonia. De sociale inslag van Bucers theologie komt hier aan de opper¬vlakte”.

34) Vgl. W. Bernoulli, a.w., p.215.

35) Vgl. W. van 't Spijker, a. w., p.407; vgl. ook W. Bernoulli, a. w., p.214.

36) Vgl. voor Calvijn, W. Bernoulli, a. w., p.230 e.v.

37) In de Ordonnances ecclesiastiques (1541) is sprake van 'procureurs' en 'hospi¬taliers'; met betrekking tot de diakenen wordt gezegd: “Il y en a eu touslours deux especes en l'Eglise ancienne: les uns ont esté deputez à recevoir, dispen¬ser et conserver les biens des povres, tant aumosnes quotidiennes que posses¬sions, rentes et pensions: les autres, pour penser et soigner les malades et ad¬ministrer la pitance des povres... Car nous avons procureurs et hospitaliers” (Vgl. w. Niesel, Bekenntnisschnften und Kirchenordnungen der nach Gottes Wort reformierten Kirche, 3. Aufl. Zollikon-Zürich o.J., p.49).

38) De vragen herinneren aan Bucer, het Schriftbewijs aan Calvijn. W. van 't Spij¬ker, a. w., p.427 merkt op: “Via de vluchtelingenkerken is Bucers werk van blijvende betekenis gebleven voor de kerken der reformatie op het vaste¬land”.

39) J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, schrijft: “De benaming 'oudsten' duidt de functie van verantwoordelijke personen als zodanig aan, zonder een nadere inhoud te geven aan het soort verantwoordelijkheid. Dit laatste gebeurt wel in een andere naam voor dezelfde functionarissen. De 'oudsten' uit Efeze (Hand. 20,17) kunnen ook worden aangesproken als 'opzieners' (Hand. 20,28). En wanneer Titus in iedere plaats 'oudsten' moet aanstellen (Tit. 1,5), spreekt Paulus in de uitwerking van deze opdracht over de eisen die aan een 'opziener' gesteld moeten worden (Tit. 1,7). Daar de termen binnen eenzelfde tekstverband als verwisselbaar voorkomen, is er reden om ze als sy¬noniemen te zien”. Vgl. ook J.P. Versteeg, Nieuwtestamentisch profiel van de ouderling, in: Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente, red. D. Koole en W.H. Velema, Kampen 1982, p.11,12.

40) Vgl. J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, p.95: “In het oudste christelijke spraakgebruik wordt de term (presbuterion) frequent gebruikt voor het college van de plaatselijke 'oudsten' of 'presbyters'. Uit het voorko¬men van deze term in 1 Timoteüs 4,14 blijkt dat er vanaf het begin een afgeba¬kende groep speciaal aangewezen mensen is geweest in elke plaats: zij vorm¬den als oudsten van de gemeente samen een college of raad”. Herman Rid¬derbos, De pastorale brieven, Kampen 1967, p.125 zegt; “Gedacht zal dus moeten worden aan de gezamenlijke ouderlingen, wil men: aan de raad der ouderlingen op een bepaalde plaats”.

41) Vgl. P. Biesterveld/H.H. Kuyper, Kerkelijk Handboekje, Kampen 1905, p.16.

42) Vgl. P. Biesterveld/H.H. Kuyper, a. w., p.36.

43) Vgl. P. Biesterveld/H.H. Kuyper, a. w., p.63. Ik heb de indruk dat wij reeds in déze kerkenordening het verschillend gebruik van het woord 'kerkeraad' tegenkomen. Artikel IV zegt enerzijds “soo sullen de Dienaers des Woordts, Ouderlinghen ende Diakenen de Consistorie maecken,”, anderzijds: “Doch in plaetsen daer weinîch Ouderlinghen sijn sullen de Diakenen toeghelaten mueghen worden na de begheerte der Consistorie”.

44) Vgl. hiervoor J. Kamphuis, Altijd met goed acoord, Amsterdam 1973, p.113,114.

45) J. Kamphuis, a.w., p.120.

46) Vgl. Rapport van deputaten voor herziening van de Kerkorde aan de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, samen geroepen te Gro¬ningen-Zuid 1978, z.v.a., p.48: “Maar depp. zijn eenstemmig van oordeel, dat het college van ouderlingen als zodanig zichtbaar moet blijven in de kerkorde, en dat het daar een naam behoort te houden die beantwoordt aan de schrif-tuurlijke plaats, die het heeft in de gemeente”.

47) P.Deddens, a.w., p.14.

48) C. Trimp, Inleiding in de ambtelijke vakken, Kampen 1978, p.48.

49) Vgl. A.N. Hendriks, Kerk en ambt in de theologie van A.A. van Ruler, Am¬sterdam 1977, p.299 e.v.

50) Vgl. A.N. Hendriks, Om de bediening van de Geest, Kampen 1983, p.37.

51) Nieuwer onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat in 1 Tim. 5:17 geen sprake is van tweeërlei oudsten, vgl. J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, p. 100 e.v.; vgl. ook J.P. Versteeg, Nieuwtestamentisch profiel van de ouder¬ling, p.50 e.v. Versteeg merkt op: “De tegenstelling is dus niet die tussen oud-sten die niet predikten en onderricht gaven enerzijds en die dat wèl deden an¬derzijds. De oudsten predikten állen en gaven Mien onderricht. De tegenstel¬ling is die tussen oudsten die zich niet ten volle konden inzetten voor de taak van prediking en onderricht, maar dat slechts deeltijds deden enerzijds en die zich wèl voltijds inzetten voor die taak anderzijds” (p.51).

¬52) J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, p.165; vgl. J. Kamphuis, a. w., p.125,126. A.A. van Ruler, Bijzonder en algemeen ambt, Nijkerk 1952, merkt op: “Het Nieuwe Testament geeft geen kerkorde. Zelfs geen léér van de ambten. Het is ook in dit opzicht kerugma, verhaal van enige daden van God. Het is aan ons, in dit kerugma enige leerlijnen te ontdekken en... zo goed en kwaad als het gaat, tot een min of meer afgerond geheel te verenigen” (p.33).

53) J. Kamphuis, a.w., p.119,120 wijst op dit spreken van Calvijn en de Neder¬landse Geloofsbelijdenis. Kamphuis schrijft: “Als Calvijn alle ambten, ook dat van het diaconaat, een plaats in de regering der kerk geeft, let hij er opdat iedere dienst een hulpmiddel en instrument van de regering van Christus over Zijn gemeente is. Als hij als speciaal kenmerk van het ouderlingenambt de re¬gering noemt, dan is het overheersende gezichtspunt, dat we hier te doen krij¬gen met geestelijke gezagsoefening in opzicht en tucht. Regering in algemeen én in speciale zin” (p.120).

54) J. Kamphuis, a. w., p. 136. H. Bouwman, Het ambt der diakenen, Kampen 1907, merkt op: “Al die genoemde werkzaamheden worden door de Kerken-ordening toegewezen ook aan de diakenen, opdat het volk vertrouwen kan, dat deze gewichtige zaken goed en eerlijk behartigd worden en niet bij een paar menschen berusten. Niet volgens een rechtstreeksch bevel, in het Woord van God genoemd, zijn de diakenen bevoegd met de ouderlingen en de diena¬ren bierin mede te werken, maar volgens den kerkelijken regel” (p.121).

55) Voor de verschillende fasen, waarin het dienstbetoon te Jeruzalem zich vol¬trok, vgl. D.J. Karres, De gemeente en haar diakonaat, 's-Gravenhage 1969, p.22-33.

56) J.P. Versteeg, Oog voor elkaar. Het gebruik van het woord 'elkaar' in het Nieuwe Testament met betrekking tot de onderlinge verhoudingen binnen de gemeente, Kampen 1979, schrijft: “Het woord kathoos (gelijk) heeft namelijk een dubbele betekenis. Het geeft de maatstaf aan voor de liefde die de discipe¬len elkaar hebben te bewijzen, maar het geeft tegelijk ook de bron aan waaruit de discipelen in hun liefde voor elkaar mogen putten. Het heeft een vergelij¬kende, maar tegelijk ook een redengevende betekenis. De discipelen worden geroepen elkaar lief te hebben, zoals Jezus hen liefgehad heeft, maar ook om¬dat Jezus hen liefgehad heeft” (p.11).

57) Vgl. J.P. Versteeg, Kijk op de kerk. De structuur van de gemeente volgens het Nieuwe Testament, Kampen (1985), p.24, 25.

58) J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, p.70,71 ziet de weduwen in Hand. 6:1 als helpsters bij deze 'dagelijkse verzorging', dus niet als objekten van de hulpverlening. Deze opvatting is zeker mogelijk. Vgl. ook D.J. Karres, a.w., p.29.

59) C. Trimp, Zorgen voor de gemeente, merkt op: “De diakenen zullen in elke nieuwe periode van de geschiedenis naar nieuwe vormen voor haar (hun?) ar¬beid moeten uitzien. Rekening houdende met gewijzigde sociale omstandig¬heden zullen de diakenen de gemeente moeten voorgaan en voorlichten in¬zake de oefening van de gemeenschap, waarin de sterke de hand biedt aan de zwakke. Zij moeten vanuit de avondmaalsgemeenschap appelleren op de ge¬meenteleden en hun inzicht in de onvervangbare kracht en glans daarvan ver¬levendigen” (p.201).

60) C. Trimp, Zorgen voor de gemeente, p.212.

61) Ik versta onder een kerkelijk ambt het door gemeente en kerkeraad erkende charisma, dat door middel van openlijke bevestiging in Christus' naam inge¬schakeld wordt voor een specifieke opdracht tot opbouw van de gemeente. Het 'in Christus' naam' geeft het aspekt van de representatie aan (vgl. Joh. 20:21). De bouwstenen voor deze omschrijving ontleen ik aan Hand. 6: uit¬zien (vers 3), kiezen (vers 5), aanstellen (vers 9).

62) Van Bruggen wil voor de helpers en de helpsters een 'kerkelijke aanwijzing', een 'officiële aanwijzing en toetsing' (Ambten in de apostolische kerk, p. 117). Zo kan de kerkelijke waardigheid van het werk bewaard blijven en krijgen de opzieners de mogelijkheid om toezicht uit te oefenen, terwijl ook voorkomen wordt dat de hulpverlenende arbeid een eigen leven gaat leiden (a. w., p.118). Ik blijf toch met vragen zitten. Vele hulpverlenende organisaties opereren lan¬delijk (bijv. Stichting De Driehoek, Vereniging Dit Koningskind) of regionaal (bijv. stichtingen bejaardenhulp en gezinshulp). Hoe kan deze arbeid onder het opzicht van de plaatsehjke opzieners vallen?
Een belangrijke vraag is ook: wat is het verschil tussen een kerkelijk àmbt en deze 'kerkelijke aanwijzing/toetsing'? Vooral omdat Van Bruggen in een la¬tere publikatie nadrukkelijk zegt dat de diaken een 'ambt' heeft, maar een an¬dersoortig ambt dan de ouderling (Diaken en diakones in discussie, p.255). Komen wij met de suggestie van Van Bruggen niet dicht bij de figuur van de 'bediening', zoals de Kerkorde van de Ned. Herv. Kerk deze in artikel VII kent? Vgl. voor de moeite die men theologisch heeft, om ambt en bediening uit elkaar te houden, A.N. Hendriks, Kerk en ambt in de theologie van A.A. van Ruler, p.298,299.
Voorts is de vraag: kan men wat Paulus in 1 Tim. 5 over oudere weduwen zegt, zo uitbreiden dat dit voor iiie helpers en helpsters geldt (ni. aanwijzing en toetsing)? Is de achtergrond van wat Paulus zegt, niet de toenmalige ge¬woonte dat hulpbehoevende vrouwen (bijv. zieke vrouwen) door vrouwen werden verzorgd?
63) Vgl J. Forget, a.w., k.686 e.v.; K. Algermissen, Diakonissen, in: Lexikon für Theologie und Kirche, III, Freiburg 1959, k.327,328; S.P. Dee, Diacones, in: Christelijke Encyclopedie, II, Kampen 1957, p.401.

64) Vgl. P. Biesterveld/H.H. Kuyper, a.w., p.21. Of Wezel daarmee ging in de lijn van Calvijn~is een moeilijk te beantwoorden vraag. De passage in Inst. IV,3,9 handelt slechts en passant over de 'weduwen': Calvijn spreekt over het diakenambt.
Wanneer hij het even later over de roeping tot het ambt heeft, gebruikt hij steeds het woord 'dienaren' (vgl. Inst. I ,3,10,11). J. Severijn, Diakonia der vrouw, Maassluis z.j., p.15, attendeert erop dat Calvijn twee uitdrukkingen gebruikt: eerst spreekt hij over 'openbare ambten der kerk', daarna in ver¬band met de weduwen over 'geen enkel openbaar ambt'. Severijn betwijfelt op grond van deze verwarring dat Calvijn vrouwelijke diakenen voorstond.

65) Vgl. de uitspraak van de nationale synode van Middelburg (1581): “Oft Raedtsaem waere, het Ampt der Diaconissen weder in te voeren? Is gheand.: Neen, om verscheijden inconuenienten wille die daer wt souden moghen vol¬gnen” (Vgl. P. Biesterveld/H.H. Kuyper, a.w., p.175).

66) J. Kamphuis, a. w., p.130 wijst op deze eenheid. Vgl. A.N. Hendriks, Eenheid in de ambtelijke hulpverlening, p.20.
terug